Volgens Lukas 24:1-53

24  Op de eerste dag van de week kwamen ze heel vroeg bij het graf met de specerijen die ze hadden bereid.+  Maar ze zagen dat de steen van het graf was weggerold,+  en toen ze naar binnen gingen, vonden ze het lichaam van de Heer Jezus niet.+  Ze begrepen er niets van. Plotseling stonden er twee mannen in stralende kleding bij hen.  De vrouwen schrokken en durfden niet op te kijken. De mannen zeiden tegen ze: ‘Waarom zoeken jullie de levende onder de doden?+  Hij is niet hier, hij is uit de dood opgewekt. Denk aan wat hij tegen jullie heeft gezegd toen hij nog in Galilea was,  dat de Mensenzoon aan zondige mensen overgeleverd en aan een paal gehangen moest worden, en dat hij op de derde dag zou opstaan.’+  Toen herinnerden ze zich zijn woorden.+  Ze kwamen terug van het graf* en vertelden al die dingen aan de elf en aan de rest.+ 10  Het waren Maria Magdale̱na, Johanna en Maria, de moeder van Jakobus. Ook de andere vrouwen+ die bij hen waren, vertelden de apostelen hierover. 11  Maar die vonden het onzin en wilden de vrouwen niet geloven. 12  Petrus stond echter op en rende naar het graf.* Toen hij zich vooroverboog, zag hij alleen de linnen doeken. Hij ging dus weer weg, terwijl hij zich afvroeg wat er gebeurd was. 13  Op diezelfde dag waren twee van hen op weg naar een dorp dat E̱mmaüs heette, zo’n 11 kilometer van Jeruzalem vandaan. 14  Ze praatten met elkaar over alles wat er gebeurd was. 15  Terwijl ze hierover in gesprek waren, kwam Jezus naar ze toe en liep met ze mee, 16  maar hun ogen werden ervan weerhouden hem te herkennen.+ 17  Hij zei tegen ze: ‘Waar lopen jullie zo druk over te praten?’ Met een verdrietig gezicht bleven ze staan. 18  Eén van hen, Kle̱opas, antwoordde: ‘Bent u soms een vreemdeling die helemaal alleen woont? Weet u echt niet wat er de afgelopen dagen in Jeruzalem gebeurd is?’* 19  Hij vroeg: ‘Wat dan?’ Ze zeiden: ‘Wat er gebeurd is met Jezus de Nazarener.+ Hij was een profeet die krachtig was in woord en daad voor de ogen van God en van het hele volk.+ 20  Maar onze overpriesters en regeerders hebben hem ter dood laten veroordelen+ en hebben hem aan een paal gehangen.+ 21  Wij hoopten juist dat deze man degene was die Israël zou bevrijden.+ Maar inmiddels is het al de derde dag sinds dat allemaal gebeurd is. 22  En een paar vrouwen van onze groep hebben ons in verwarring gebracht: Ze waren ’s morgens vroeg naar het graf* gegaan,+ 23  maar toen ze zijn lichaam niet vonden, kwamen ze vertellen dat er engelen aan hen waren verschenen die zeiden dat hij leeft. 24  Een paar van ons zijn toen naar het graf* gegaan,+ en ze troffen het precies zo aan als de vrouwen hadden gezegd, maar hem hebben ze niet gezien.’ 25  Hij zei tegen ze: ‘Zijn jullie zo onverstandig en traag van begrip* dat jullie niet geloven wat de profeten allemaal hebben gezegd? 26  De Christus moest al dat lijden toch ondergaan+ om verheerlijkt te worden?’*+ 27  En hij legde hun uit wat in de hele Schrift over hem gezegd werd, te beginnen bij Mozes en alle Profeten.+ 28  Uiteindelijk kwamen ze bij het dorp waarnaar ze op weg waren, en hij deed alsof hij verder wilde gaan. 29  Maar ze drongen bij hem aan: ‘Blijf bij ons, want het wordt al avond. De dag is bijna om.’ Toen ging hij mee naar binnen en bleef bij ze. 30  Terwijl hij met ze aan tafel was,* nam hij het brood. Hij zegende het, brak het en deelde het uit.+ 31  Op dat moment werden hun ogen volledig geopend en herkenden ze hem, maar toen verdween hij.+ 32  Ze zeiden tegen elkaar: ‘Brandde ons hart niet in ons toen hij onderweg met ons praatte en de Schrift duidelijk aan ons uitlegde?’ 33  Meteen stonden ze op en gingen ze naar Jeruzalem terug. Daar vonden ze de elf, die met de andere discipelen bij elkaar waren gekomen 34  en die zeiden: ‘De Heer is inderdaad uit de dood opgewekt en hij is aan Simon verschenen!’+ 35  Daarop vertelden zij wat er onderweg was gebeurd en dat ze hem hadden herkend toen hij het brood brak.+ 36  Terwijl ze het daarover hadden, kwam Jezus zelf in hun midden staan en zei tegen ze: ‘Vrede zij met jullie.’+ 37  Maar ze schrokken en werden bang, want ze dachten dat ze een geest zagen.+ 38  Daarom zei hij: ‘Waarom schrikken jullie zo en waarom komen er twijfels op in jullie hart? 39  Kijk naar mijn handen en voeten. Ik ben het echt. Raak me maar aan en kijk goed, want een geest heeft geen vlees en botten, zoals jullie zien dat ik heb.’ 40  Terwijl hij dat zei, liet hij hun zijn handen en voeten zien. 41  Toen ze het van vreugde en verbazing nog steeds niet konden geloven, zei hij tegen ze: ‘Hebben jullie hier iets te eten?’+ 42  Ze gaven hem een stuk geroosterde vis. 43  Hij nam het aan en at het voor hun ogen op. 44  Vervolgens zei hij: ‘Toen ik nog bij jullie was, heb ik jullie gezegd+ dat alles wat in de Wet van Mozes, de Profeten en de Psalmen over mij geschreven staat, vervuld moest worden.’+ 45  Toen opende hij hun verstand volledig, zodat ze de betekenis van de Schrift begrepen.+ 46  Hij zei: ‘Er staat geschreven dat de Christus zou lijden en op de derde dag uit de dood zou opstaan.+ 47  En op basis van zijn naam zou er, te beginnen vanuit Jeruzalem, tot alle volken gepredikt worden+ dat ze berouw moesten hebben om vergeving van zonden+ te krijgen.+ 48  Jullie moeten daarvan getuigen.+ 49  En ik stuur jullie wat mijn Vader heeft beloofd. Maar jullie moeten in de stad blijven totdat jullie zijn bekleed met kracht van boven.’+ 50  Toen nam hij hen mee de stad uit, tot bij Betha̱nië. Hij hief zijn handen op en zegende hen. 51  Terwijl hij hen zegende, werd hij van hen gescheiden en in de hemel opgenomen.+ 52  Ze bewezen hem eer en gingen vol vreugde terug naar Jeruzalem.+ 53  En ze waren voortdurend in de tempel om God te loven.+

Voetnoten

Of ‘herinneringsgraf’.
Of ‘herinneringsgraf’.
Of mogelijk ‘bent u de enige bezoeker van Jeruzalem die niet weet wat daar de afgelopen dagen gebeurd is?’
Of ‘herinneringsgraf’.
Of ‘herinneringsgraf’.
Lett.: ‘hart’.
Of ‘zijn heerlijkheid binnen te gaan’.
Of ‘aanlag’.

Aantekeningen

de eerste dag van de week: Dat wil zeggen 16 nisan. Voor de Joden begon de week op de dag direct na de sabbat.

graf: Of ‘herinneringsgraf’. Geen natuurlijke grot, maar een grafkamer of -kelder die was uitgehouwen in de zachte kalksteenrotsen. In zulke graven waren vaak nissen of holten uitgehouwen waar lichamen in gelegd konden worden. (Zie Woordenlijst.)

specerijen: Jezus’ lichaam was al op de begrafenis voorbereid ‘zoals bij de Joden gebruikelijk is als iemand begraven wordt’ (Jo 19:39, 40). Maar waarschijnlijk was dit haastig gedaan, want Jezus was ongeveer drie uur voor het begin van de sabbat gestorven en de Joden mochten op de sabbat geen werk doen. Nu, op de eerste dag na de sabbat (d.w.z. de derde dag na Jezus’ terechtstelling), waren de vrouwen misschien gekomen om nog meer specerijen en oliën toe te voegen en zo het lichaam langer te conserveren (Lu 23:50–24:1). Waarschijnlijk was het de bedoeling de specerijen en oliën op het omwikkelde lichaam aan te brengen.

de eerste dag van de week: Zie aantekening bij Mt 28:1.

graf: Zie aantekening bij Mt 27:60.

de specerijen die ze hadden bereid: Zie aantekening bij Mr 16:1.

een steen: Blijkbaar een ronde steen, want in het vers staat dat de steen op zijn plek werd gerold en Mr 16:4 zegt dat die bij Jezus’ opstanding ‘al was weggerold’. De steen kan wel een ton of meer hebben gewogen. Volgens Mattheüs’ verslag was het ‘een grote steen’ (Mt 27:60).

de steen: Zie aantekening bij Mr 15:46.

van de Heer Jezus: In sommige manuscripten staan deze woorden niet, maar de langere weergave wordt goed ondersteund door oude, gezaghebbende manuscripten. (Zie App. A3 voor meer informatie over het samenstellen van de Griekse standaardtekst op basis van oude manuscripten.)

twee mannen in stralende kleding: Dit is een indirecte verwijzing naar engelen. (Vergelijk Lu 24:23.) In Han 1:10 wordt over engelen gesproken als ‘mannen in witte kleren’.

Hij is niet hier, hij is uit de dood opgewekt: In sommige manuscripten staan deze woorden niet, maar ze worden goed ondersteund door oude, gezaghebbende manuscripten. (Zie App. A3.)

aan een paal hangen: Dit is de eerste van de ruim 40 keer dat het Griekse werkwoord stauroo in de Griekse Geschriften voorkomt. Het verwante Griekse zelfstandig naamwoord stauros wordt weergegeven met ‘martelpaal’. (Zie aantekeningen bij Mt 10:38; 16:24 en 27:32 en Woordenlijst ‘Martelpaal’ en ‘Paal’.) De werkwoordsvorm wordt in de Septuaginta gebruikt in Es 7:9, waar de opdracht wordt gegeven om Haman aan een paal van ruim 20 m hoog te hangen. In het klassieke Grieks betekent het ‘omheinen met palen, een palissade vormen’.

aan een paal gehangen: Zie aantekening bij Mt 20:19 en Woordenlijst ‘Martelpaal’ en ‘Paal’.

vertel ze dat hij uit de dood is opgewekt: Deze vrouwen zijn niet alleen de eerste discipelen die van Jezus’ opstanding horen maar ook degenen die opdracht krijgen de andere discipelen op de hoogte te brengen (Mt 28:2, 5, 7). Volgens de on-Bijbelse Joodse tradities was de getuigenverklaring van een vrouw niet rechtsgeldig. In tegenstelling daarmee vereert Jehovah’s engel de vrouwen met deze vreugdevolle opdracht.

Ze (...) vertelden al die dingen aan de elf: De twee engelen, in Lu 24:4 ‘mannen in stralende kleding’ genoemd, hadden het nieuws van Jezus’ opstanding eerst met de mannelijke discipelen kunnen delen. In plaats daarvan kregen vrouwen het voorrecht als eersten te ontdekken dat hij uit de dood was opgewekt (Lu 24:6-9; Jo 20:11-18). En het waren vrouwen die de eer kregen ‘de elf en de rest’ daarvan op de hoogte te brengen. Bovendien was Maria Magdalena de eerste discipel die Jezus te zien kreeg nadat hij was opgewekt (Jo 20:16; zie aantekening bij Mt 28:7).

van het graf: In sommige manuscripten staan deze woorden niet, maar ze worden goed ondersteund door oude, gezaghebbende manuscripten.

Maria die Magdalena wordt genoemd: De vrouw die vaak Maria Magdalena wordt genoemd, wordt hier in het verslag over Jezus’ tweede predikingsjaar voor het eerst vermeld. Haar bijnaam Magdalena (betekent ‘uit of van Magdala’) komt waarschijnlijk van de plaats Magdala aan de westelijke oever van het Meer van Galilea, ongeveer halverwege tussen Kapernaüm en Tiberias. Sommigen denken dat deze Maria uit Magdala kwam of er woonde. De naam Maria Magdalena komt vooral voor in de verslagen over de dood en opstanding van Jezus (Mt 27:55, 56, 61; Mr 15:40; Lu 24:10; Jo 19:25).

Maria Magdalena: Zie aantekening bij Lu 8:2.

Johanna: Dit is de vrouwelijke vorm van de Hebreeuwse naam Johanan, die ‘Jehovah heeft gunst getoond’, ‘Jehovah is goedgunstig geweest’ betekent. Johanna was de vrouw van Chuzas, een functionaris van Herodes Antipas, en was door Jezus genezen. Ze wordt maar twee keer in de Griekse Geschriften vermeld, beide keren in het verslag van Lukas (Lu 8:2, 3).

(...) wat er gebeurd was: In sommige manuscripten staan de woorden van dit vers niet, maar het vers wordt goed ondersteund door oude, gezaghebbende manuscripten. (Zie App. A3.)

zo’n 11 kilometer: Lett.: ‘60 stadie’. Een Romeinse stadie was 185 m. (Zie App. B14.)

legde hun uit: Het Griekse woord diermeneuo kan gebruikt worden in de betekenis ‘vertalen van de ene taal in de andere’ (Han 9:36; 1Kor 12:30, vtn.). Maar het betekent ook ‘de betekenis verklaren’, ‘volledig uitleggen’. In dit vers gaat het om de uitleg van de betekenis van profetieën.

Brandde: Deze uitdrukking is een weergave van een Grieks woord dat hier wordt gebruikt als metafoor voor sterke emoties, zoals vreugde en blijdschap, en brengt de gedachte over van grote interesse en enthousiasme. Hier laat het uitkomen hoe de twee discipelen reageerden toen Jezus de geïnspireerde Hebreeuwse Geschriften duidelijk aan hen uitlegde.

in ons: In sommige oude manuscripten ontbreken deze woorden, maar ze staan wel in andere oude, gezaghebbende manuscripten. (Zie App. A3.)

de Schrift duidelijk aan ons uitlegde: Of ‘de Schrift volledig voor ons opende’. Het Griekse werkwoord voor ‘volledig openen’ (dianoigo) komt in dit hoofdstuk drie keer voor. Ten eerste in Lu 24:31, waar staat dat de ‘ogen’ van de twee discipelen ‘volledig werden geopend’, waardoor ze beseften dat ze met Jezus in gesprek waren. Ten tweede hier in Lu 24:32, waar het ‘duidelijk uitleggen’ betekent. En ten derde in Lu 24:45, waar wordt beschreven hoe Jezus het verstand van de discipelen ‘opende’, zodat ze de betekenis van de geïnspireerde Hebreeuwse Geschriften konden begrijpen. (Zie ook Han 7:56, ‘geopend’, 16:14, ‘opende’ en 17:3, ‘gaf uitleg’ [lett.: ‘opende grondig’], waar hetzelfde Griekse woord wordt gebruikt.)

en zei tegen ze: ‘Vrede zij met jullie’: In sommige manuscripten staan deze woorden niet, maar ze worden goed ondersteund door oude, gezaghebbende manuscripten.

een geest: Hoewel het Griekse pneuma op onzichtbare personen in het geestenrijk kan duiden, gebruikten de discipelen het woord kennelijk voor een geestverschijning of een visioen. Jezus liet de discipelen zijn handen en voeten zien en zei tegen ze: ‘Raak me maar aan en kijk goed, want een geest heeft geen vlees en botten, zoals jullie zien dat ik heb’ (Lu 24:39). Zo toonde hij aan dat hij zich net als engelen in het verleden had gematerialiseerd zodat de discipelen hem konden zien (Ge 18:1-8; 19:1-3).

mijn handen en voeten: Bij de Romeinen was het gebruikelijk om de handen (en waarschijnlijk ook de voeten) van de veroordeelde aan de paal te nagelen, zoals ook bij Jezus gebeurde (Ps 22:16; Jo 20:25, 27; Kol 2:14). Sommige geleerden denken dat Jezus’ voeten met één of meer spijkers zijn doorboord en rechtstreeks aan de paal zijn genageld of aan een plankje dat aan de paal was bevestigd.

(...) en voeten zien: In sommige manuscripten staan de woorden van dit vers niet, maar het vers wordt goed ondersteund door oude, gezaghebbende manuscripten. (Zie App. A3.)

vis: Enkele latere manuscripten voegen ‘en een honingraat’ toe, maar die woorden staan niet in oude, gezaghebbende manuscripten.

in de Wet van Mozes, de Profeten en de Psalmen: Kennelijk groepeerde Jezus hier alle geïnspireerde Hebreeuwse Geschriften op de manier waar de Joden vertrouwd mee waren. Met ‘de Wet’ (Hebr.: Tōrah) worden de Bijbelboeken Genesis tot en met Deuteronomium bedoeld. ‘De Profeten’ (Hebr.: Neviʼim) duidt op de profetische boeken in de Hebreeuwse Geschriften, inclusief de zogenoemde Vroege Profeten (de Bijbelboeken Jozua tot en met Koningen). ‘Psalmen’ slaat op het derde deel, dat de andere boeken van de Hebreeuwse Geschriften omvat en de Geschriften wordt genoemd (Hebr.: Chetoevim of Ketoevim). De aanduiding Psalmen werd gebruikt omdat het het eerste boek van het derde deel was. Het woord Tenach, een Joodse aanduiding voor de Hebreeuwse Geschriften, is gevormd met de eerste letter van elk van de drie delen (TeNaCh). Dat Jezus deze drie termen gebruikte, laat zien dat de canon van de Hebreeuwse Geschriften al vaststond toen hij op aarde was en zijn goedkeuring had.

getuigen van mij: Als trouwe Joden waren Jezus’ eerste discipelen al getuigen van Jehovah en getuigden ze ervan dat Jehovah de enige ware God is (Jes 43:10-12; 44:8). Maar nu moesten de discipelen getuigen zijn van Jehovah en Jezus. Ze moesten vertellen over Jezus’ belangrijke rol in de heiliging van Jehovah’s naam door middel van Zijn Messiaanse Koninkrijk, een nieuw aspect van Jehovah’s voornemen. Handelingen gebruikt de Griekse woorden voor ‘getuige’ (martus), ‘getuigen’ (martureo), ‘grondig getuigenis geven’ (diamarturomai) en verwante woorden vaker dan elk ander Bijbelboek, met uitzondering van het evangelie van Johannes. (Zie aantekening bij Jo 1:7.) Een getuige zijn en een grondig getuigenis geven over Gods voornemens — met inbegrip van zijn Koninkrijk en de belangrijke rol van Jezus — is een thema dat als een rode draad door het boek Handelingen loopt (Han 2:32, 40; 3:15; 4:33; 5:32; 8:25; 10:39; 13:31; 18:5; 20:21, 24; 22:20; 23:11; 26:16; 28:23). Sommige christenen in de eerste eeuw konden uit persoonlijke ervaring getuigen van de historische feiten over Jezus’ leven, dood en opstanding (Han 1:21, 22; 10:40, 41). Degenen die later in Jezus gingen geloven, legden getuigenis af door de betekenis van zijn leven, dood en opstanding te verkondigen (Han 22:15; zie aantekening bij Jo 18:37).

Jullie moeten daarvan getuigen: Dit is een van de eerste keren dat Jezus tegen zijn discipelen zegt dat ze moeten getuigen van zijn leven en bediening, met inbegrip van zijn dood en opstanding. (Vergelijk Jo 15:27.) Als trouwe Joden waren Jezus’ discipelen al getuigen van Jehovah en getuigden ze ervan dat Jehovah de enige ware God is (Jes 43:10-12; 44:8). Zo’n 40 dagen na de gebeurtenissen die hier worden beschreven, herhaalt en beklemtoont Jezus hun nieuwe taak om van hem te getuigen. (Zie aantekening bij Han 1:8.)

wat mijn Vader heeft beloofd: Dat wil zeggen de heilige geest die werd beloofd in Joë 2:28, 29 en Jo 14:16, 17, 26. Die actieve kracht zou Jezus’ discipelen de kracht geven om overal op aarde te getuigen (Han 1:4, 5, 8; 2:33).

de stad: Dat wil zeggen Jeruzalem.

Bethanië: Een dorp op de OZO-helling van de Olijfberg op een afstand van zo’n 3 km van Jeruzalem (Jo 11:18). Het huis van Martha, Maria en Lazarus bevond zich in dit dorp en was blijkbaar Jezus’ uitvalsbasis in Judea (Jo 11:1). Tegenwoordig ligt op die plek een dorpje met een Arabische naam die ‘de plaats van Lazarus’ betekent.

Toen: Uit Han 1:3-9 blijkt dat Jezus 40 dagen na zijn opstanding naar de hemel opsteeg. Er zit dus een periode tussen de gebeurtenissen op de dag van Jezus’ opstanding (16 nisan), die staan opgetekend in Lu 24:1-49, en de gebeurtenissen op de dag van zijn hemelvaart (25 ijjar), die vanaf dit vers tot het eind van het hoofdstuk worden beschreven. (Zie App. A7.)

Bethanië: Zie aantekening bij Mt 21:17.

en in de hemel opgenomen: In sommige manuscripten staan deze woorden niet, maar ze worden goed ondersteund door oude, gezaghebbende manuscripten. Ook gaf Lukas in Han 1:1, 2 aan dat hij in zijn ‘eerste verslag’, namelijk zijn evangelie, had geschreven over wat Jezus tijdens zijn leven en bediening had gedaan ‘tot aan de dag dat hij [Jezus] in de hemel werd opgenomen’. Het lijkt dus heel logisch dat Lukas deze woorden over Jezus’ opname in de hemel in zijn geïnspireerde verslag heeft opgenomen.

om hem eer te bewijzen: Of ‘om ons voor hem neer te buigen’. Waar het Griekse werkwoord proskuneo gebruikt wordt voor de verering van een god of godheid, wordt het weergegeven met ‘aanbidden’. Maar in deze context vroegen de astrologen naar ‘de pasgeboren koning van de Joden’. Het gaat hier dus duidelijk om eer of hulde bewijzen aan een menselijke koning, niet aan een god. Het woord is op een vergelijkbare manier in Mr 15:18, 19 gebruikt voor de soldaten die zich spottend voor Jezus ‘neerbogen’ en hem ‘Koning van de Joden’ noemden. (Zie aantekening bij Mt 18:26.)

hem eer ging bewijzen: Of ‘zich voor hem neerboog’, ‘hem eerde’. Ook in de Hebreeuwse Geschriften wordt gezegd dat mensen zich neerbogen als ze profeten, koningen of andere vertegenwoordigers van God ontmoetten (1Sa 25:23, 24; 2Sa 14:4-7; 1Kon 1:16; 2Kon 4:36, 37). Deze man besefte blijkbaar dat hij sprak met een vertegenwoordiger van God die het vermogen had mensen te genezen. Het was passend om zich neer te buigen uit respect voor Jehovah’s toekomstige koning (Mt 9:18; zie voor meer informatie over het Griekse woord dat hier wordt gebruikt de aantekening bij Mt 2:2).

hem eer bewijzen: Of ‘zich voor hem neerbuigen’, ‘hem hulde brengen’. Deze mensen erkenden Jezus als Gods vertegenwoordiger. Ze bewezen hem eer, niet als een god of godheid maar als ‘Gods Zoon’. (Zie aantekeningen bij Mt 2:2; 8:2 en 18:26.)

hem eer bewijzen: Of ‘zich voor hem neerbuigen’, ‘hem hulde brengen’. Door Jezus de ‘Zoon van David’ (Mt 15:22) te noemen, erkent deze niet-Joodse vrouw hem blijkbaar als de beloofde Messias. Ze bewijst hem eer, niet als een god of godheid maar als een vertegenwoordiger van God. (Zie aantekeningen bij Mt 2:2; 8:2; 14:33 en 18:26.)

bewezen hem eer: Of ‘bogen zich voor hem neer’, ‘brachten hem hulde’. Waar het Griekse werkwoord proskuneo gebruikt wordt voor de verering van een god of godheid, wordt het weergegeven met ‘aanbidden’ (Mt 4:10; Lu 4:8). Maar in deze context erkenden de discipelen de uit de dood opgewekte Jezus als Gods vertegenwoordiger. Ze bewezen hem eer, niet als God of een godheid maar als ‘Gods Zoon’, de voorspelde ‘Mensenzoon’, de Messias die goddelijk gezag had (Lu 1:35; Mt 16:13-16; Jo 9:35-38). Ze deden hetzelfde als personen in de Hebreeuwse Geschriften van wie wordt gezegd dat ze zich neerbogen als ze profeten, koningen of andere vertegenwoordigers van God ontmoetten (1Sa 25:23, 24; 2Sa 14:4; 1Kon 1:16; 2Kon 4:36, 37). Vaak werd Jezus eer bewezen uit dankbaarheid voor een openbaring van God of een bewijs van Gods gunst zoals dat in vroeger tijden werd geuit (Mt 14:32, 33; 28:5-10, 16-18; Jo 9:35, 38; zie ook aantekeningen bij Mt 2:2; 8:2; 14:33 en 15:25).

bewezen hem eer en: In sommige manuscripten staan deze woorden niet, maar ze worden goed ondersteund door oude, gezaghebbende manuscripten. (Zie App. A3.)

het eerste verslag: Lukas verwijst hier naar zijn evangelieverslag over Jezus’ leven. In dat verslag focuste hij op ‘alles wat Jezus heeft gedaan en onderwezen, vanaf het begin’. In het boek Handelingen gaat Lukas verder waar hij gebleven is en tekent hij op wat Jezus’ volgelingen zeiden en deden. De stijl en bewoordingen van de verslagen komen overeen, en beide verslagen zijn gericht aan Theofilus. Er wordt niet expliciet gezegd of Theofilus een discipel van Christus was. (Zie aantekening bij Lu 1:3.) Lukas begint het boek Handelingen met een samenvatting van de gebeurtenissen aan het eind van zijn evangelie, en geeft daarmee duidelijk aan dat dit tweede verslag een vervolg is op het eerste. Maar in deze samenvatting gebruikt hij soms iets andere bewoordingen en vermeldt hij andere details. (Vergelijk Lu 24:49 met Han 1:1-12.)

waren voortdurend in de tempel: Na Jezus’ terechtstelling waren de discipelen bang voor hun vijanden, dus ze kwamen bijeen achter gesloten deuren (Jo 20:19, 26). Maar de discipelen voelden zich gesterkt toen ze verdere uitleg van Jezus kregen (Han 1:3) en 40 dagen na zijn opstanding zagen hoe hij naar de hemel opsteeg. Dat gaf ze de moed God in het openbaar te loven. Lukas vervolgt het verslag dat met zijn evangelie begon in het boek Handelingen, waarin hij vertelt over de ijverige inspanningen van de discipelen. (Zie aantekening bij Han 1:1.)

Media

Spijker in hielbeen
Spijker in hielbeen

Dit is een foto van een replica van een menselijk hielbeen dat met een ijzeren spijker van 11,5 cm is doorboord. Het oorspronkelijke bot is in 1968 gevonden bij opgravingen in het noorden van Jeruzalem en dateert uit de tijd van de Romeinen. Het vormt archeologisch bewijs dat er bij terechtstellingen waarschijnlijk spijkers werden gebruikt om de veroordeelde aan een houten paal te nagelen. Misschien hebben de Romeinse soldaten spijkers als deze gebruikt om Jezus aan de paal te nagelen. Het bot is gevonden in een ossuarium, een stenen kist waarin de droge botten van een overledene werden gelegd nadat het vlees vergaan was. Dat duidt erop dat iemand die aan een paal terechtgesteld was, een begrafenis kon krijgen.