Volgens Johannes 4:1-54

4  De Heer kwam te weten dat de farizeeën hadden gehoord dat hij* meer discipelen maakte en doopte+ dan Johannes,  hoewel Jezus zelf niet doopte, maar zijn discipelen.  Daarom verliet hij Judea en ging weer naar Galilea.+  Maar hij moest door Sama̱ria heen.  Zo kwam hij bij de Samaritaanse stad Si̱char, dicht bij het stuk land dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven.+  Daar was ook de Jakobsput.+ Vermoeid van de reis ging Jezus bij de put zitten. Het was rond het zesde uur.  Een Samaritaanse vrouw kwam water putten. Jezus zei tegen haar: ‘Geef me wat te drinken.’  (Zijn discipelen waren namelijk de stad in gegaan om eten te kopen.)  Daarop zei de Samaritaanse vrouw tegen hem: ‘Hoe kunt u, als Jood, te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse vrouw?’ (Joden gaan namelijk niet met Samaritanen om.)+ 10  Jezus antwoordde: ‘Als je wist wat de vrije gave van God+ is en wie het is die je om water vraagt, dan zou je het aan hem hebben gevraagd, en hij zou je levend water hebben gegeven.’+ 11  ‘Maar mijnheer,’ zei ze tegen hem, ‘u hebt niet eens een emmer om water te putten, en de put is diep. Waar haalt u dat levende water dan vandaan? 12  U bent toch niet meer dan onze voorvader Jakob? Hij heeft ons de put gegeven en er zelf uit gedronken, en ook zijn zonen en zijn vee.’ 13  Jezus antwoordde: ‘Iedereen die van dit water drinkt, zal weer dorst krijgen. 14  Maar wie van het water drinkt dat ik hem zal geven, zal nooit meer dorst krijgen.+ Het water dat ik hem zal geven, zal in hem een bron worden van water dat opborrelt om eeuwig leven te geven.’+ 15  ‘Mijnheer, geef me dat water,’ zei de vrouw, ‘dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik ook niet meer hierheen te komen om water te putten.’ 16  Hij zei tegen haar: ‘Ga je man roepen en kom dan terug.’ 17  ‘Ik heb geen man’, antwoordde de vrouw. Daarop zei Jezus: ‘Je hebt gelijk als je zegt dat je geen man hebt. 18  Want je hebt vijf mannen gehad, en je leeft nu samen met iemand die je man niet is. Wat je hebt gezegd is waar.’ 19  De vrouw zei tegen hem: ‘Mijnheer, ik merk dat u een profeet bent.+ 20  Onze voorouders hebben God aanbeden op deze berg, maar jullie zeggen dat in Jeruzalem de plek is waar hij aanbeden moet worden.’+ 21  ‘Geloof me,’ zei Jezus, ‘er komt een tijd dat jullie de Vader niet op deze berg en ook niet in Jeruzalem zullen aanbidden. 22  Jullie aanbidden wat jullie niet kennen.+ Wij aanbidden wat we kennen, want redding begint bij de Joden.+ 23  Maar er komt een tijd, en die is er al, dat de ware aanbidders de Vader met geest en waarheid zullen aanbidden, want de Vader zoekt mensen die hem zo willen aanbidden.+ 24  God is een Geest,+ en wie hem aanbidden, moeten hem met geest en waarheid aanbidden.’+ 25  De vrouw zei tegen hem: ‘Ik weet dat de Messi̱as komt, die Christus wordt genoemd. Als hij komt, zal hij alles aan ons bekendmaken.’+ 26  Jezus zei tegen haar: ‘Dat ben ik, degene die met je praat.’+ 27  Op dat moment kwamen zijn discipelen terug, en ze waren verbaasd dat hij met een vrouw in gesprek was. Natuurlijk vroeg niemand: ‘Wat wil je van haar?’ of: ‘Waarom praat je met haar?’ 28  De vrouw liet haar waterkruik staan, ging de stad in en zei tegen de mensen: 29  ‘Kom kijken, er is iemand die me alles heeft verteld wat ik heb gedaan. Zou dit misschien de Christus zijn?’ 30  Ze gingen de stad uit, naar hem toe. 31  Ondertussen drongen de discipelen bij hem aan: ‘Rabbi,+ eet toch iets.’ 32  Maar hij zei: ‘Ik heb voedsel te eten dat jullie niet kennen.’ 33  De discipelen zeiden tegen elkaar: ‘Zou iemand hem iets te eten hebben gebracht?’ 34  Jezus zei tegen hen: ‘Mijn voedsel is: de wil doen van hem die mij heeft gestuurd+ en zijn werk afmaken.+ 35  Jullie zeggen toch dat het nog vier maanden duurt voordat de oogst komt? Kijk! Ik zeg jullie: kijk eens goed naar de velden, ze zijn wit om geoogst te worden.+ Nu al 36  krijgt de oogster zijn loon en verzamelt hij vruchten voor het eeuwige leven, zodat de zaaier en de oogster zich samen kunnen verheugen.+ 37  Want hier is het gezegde van toepassing: de een zaait en de ander oogst. 38  Ik heb jullie eropuit gestuurd om een oogst binnen te halen waarvoor jullie niet hebben gewerkt. Anderen hebben gewerkt en jullie plukken de vruchten van hun werk.’ 39  Veel Samaritanen uit die stad gingen in hem geloven door het getuigenis van de vrouw, die zei: ‘Hij heeft me alles verteld wat ik heb gedaan.’+ 40  Toen de Samaritanen bij hem kwamen, vroegen ze hem dan ook om bij hen te blijven. Hij bleef daar twee dagen. 41  Toen gingen nog veel meer mensen geloven door wat hij zei. 42  Ze zeiden tegen de vrouw: ‘Nu geloven we niet meer alleen om wat jij hebt gezegd. We hebben het namelijk zelf gehoord en we weten dat deze man echt de redder van de wereld is.’+ 43  Na die twee dagen reisde hij verder naar Galilea. 44  Jezus had zelf getuigd dat een profeet in zijn eigen land niet wordt geëerd.+ 45  Toen hij in Galilea aankwam, ontvingen de Galileeërs hem echter vriendelijk. Ze hadden namelijk alle dingen gezien die hij in Jeruzalem op het feest had gedaan,+ want ze waren zelf ook naar het feest geweest.+ 46  Hij kwam weer in Kana in Galilea, waar hij het water in wijn had veranderd.+ In Kape̱rnaüm was een hofbeambte met een zoon die ziek was. 47  Toen de man hoorde dat Jezus vanuit Judea naar Galilea was gekomen, ging hij naar hem toe. Hij vroeg of hij mee wilde gaan om zijn zoon, die op sterven lag, te genezen. 48  Maar Jezus zei tegen hem: ‘Als jullie geen tekenen en wonderen zien, zullen jullie nooit geloven.’+ 49  Daarop zei de hofbeambte: ‘Heer, kom toch mee voordat mijn kind sterft.’ 50  ‘Ga maar naar huis,’ zei Jezus, ‘je zoon leeft.’+ De man geloofde wat Jezus tegen hem zei en vertrok. 51  Terwijl hij onderweg was, kwamen zijn slaven hem tegemoet om te zeggen dat de jongen leefde.* 52  Toen hij hun vroeg op welk moment* hij beter was geworden, antwoordden ze: ‘Gisteren op het zevende uur verdween de koorts.’+ 53  De vader besefte dat dat precies het moment* was waarop Jezus tegen hem had gezegd: ‘Je zoon leeft.’+ Hij en al zijn huisgenoten werden gelovigen. 54  Dat was de tweede keer dat Jezus een wonder+ deed na vanuit Judea naar Galilea gekomen te zijn.

Voetnoten

Lett.: ‘Jezus’.
Of ‘aan het herstellen was’.
Lett.: ‘uur’.
Lett.: ‘uur’.

Aantekeningen

Samaria: In Jezus’ tijd was Samaria de naam van het Romeinse district waar Jezus af en toe doorheen reisde. Later brachten zijn discipelen de boodschap van het christendom erheen. Het is nu niet meer bekend wat de precieze grenzen waren, maar het lag tussen Galilea in het N en Judea in het Z en strekte zich vanaf de Jordaan naar het W uit tot de kustvlakten aan de Middellandse Zee. Het district omvatte voornamelijk de gebieden die ooit van de stam Efraïm en de helft van de stam Manasse (ten W van de Jordaan) waren. Hoewel Jezus af en toe door Samaria kwam als hij van of naar Jeruzalem reisde (Jo 4:3-6; Lu 9:51, 52; 17:11), zei hij tegen zijn apostelen dat ze niet in de Samaritaanse steden moesten prediken omdat het hun voornaamste taak was om ‘naar de verloren schapen van het huis van Israël’ te gaan, dat wil zeggen de Joden (Mt 10:5, 6). Maar deze restrictie gold slechts voor een beperkte tijd. Vlak voordat Jezus naar de hemel opsteeg, zei hij tegen zijn discipelen dat ze het goede nieuws moesten prediken in ‘Samaria’ en in ‘de meest afgelegen delen van de aarde’ (Han 1:8, 9). Toen er in Jeruzalem vervolging uitbrak, gingen sommige discipelen, vooral Filippus, het goede nieuws in heel Samaria prediken. Later werden Petrus en Johannes erheen gestuurd zodat de Samaritanen heilige geest konden krijgen (Han 8:1-17, 25; 9:31; 15:3).

Sichar: Een Samaritaanse stad die in verband wordt gebracht met Askar, in de buurt van het huidige Nabloes, ongeveer 1 km ten NO van Sichem en zo’n 700 m ten NNO van de Jakobsput. (Zie App. B6 en B10.) Sommigen brengen Sichar in verband met Sichem op basis van uitspraken van enkele vroege niet-Bijbelse schrijvers en omdat in de Codex Syrus Sinaiticus ‘Sichem’ staat. Maar de beste Griekse manuscripten ondersteunen de weergave ‘Sichar’ en archeologen hebben aangetoond dat de plaats waar Sichem lag (Tell Balata) in de beschreven periode niet bewoond werd.

Rond het derde uur: Dat wil zeggen rond 9.00 uur. In de eerste eeuw had een dag voor de Joden 12 uur, te beginnen met zonsopgang rond 6.00 uur (Jo 11:9). Het derde uur was dus rond 9.00 uur, het zesde uur rond 12.00 uur en het negende uur rond 15.00 uur. Omdat de mensen geen nauwkeurige uurwerken hadden, werd meestal alleen de geschatte tijd van een gebeurtenis vermeld (Jo 1:39; 4:6; 19:14; Han 10:3, 9).

Jakobsput: Traditioneel wordt de put in verband gebracht met Bir Jaʽqub (Beʼer Jaʽaqov), zo’n 2,5 km ten ZO van het huidige Nabloes, niet ver van Tell Balata, de plaats waar Sichem lag. Dit is een diepe put, waarin het waterpeil nooit tot de rand stijgt. Bij metingen die in de 19de eeuw zijn gedaan, was de put zo’n 23 m diep. Op de bodem ligt puin, dus misschien is de put in het verleden nog dieper geweest (Jo 4:11). Omdat de put normaal van omstreeks eind mei tot de herfstregens droogstaat, denken sommigen dat hij door regenwater en grondwater gevoed wordt. Anderen denken dat de put ook gevoed wordt door een bron. (Zie aantekening bij put in dit vers.) De Bijbel zegt niet rechtstreeks dat Jakob de put gegraven heeft, maar geeft wel aan dat Jakob in deze omgeving een stuk grond had (Ge 33:18-20; Joz 24:32). Waarschijnlijk heeft Jakob deze put gegraven of laten graven, misschien om zijn grote huishouden en kudden van water te voorzien. Op die manier kon hij problemen met de buren voorkomen, die ongetwijfeld eigenaar waren van de andere waterbronnen in de omgeving. Het kan ook zijn dat hij een extra watertoevoer nodig had voor het geval andere putten in de omgeving opdroogden.

Vermoeid: Dit is de enige plek in de Bijbel waar wordt gezegd dat Jezus ‘vermoeid’ was. Het was rond 12.00 uur, en die ochtend had Jezus waarschijnlijk de reis gemaakt van het Jordaandal in Judea naar Sichar in Samaria, een steile klim van bijna 900 m (Jo 4:3-5; zie App. A7).

put: Of ‘bron’. In deze context wordt er met twee verschillende Griekse woorden verwezen naar de Jakobsput in Sichar. Het Griekse woord pege, dat in dit vers twee keer met ‘put’ wordt vertaald, duidt vaak op een bron waar water uit de grond opwelt, zoals bij de Jakobsput het geval geweest kan zijn. In Jak 3:11 wordt dit woord gebruikt voor een letterlijke ‘bron’ en in Jo 4:14, waar het ook is weergegeven met ‘bron’, wordt het figuurlijk gebruikt. In Jo 4:12 wordt er naar de Jakobsput verwezen met het Griekse woord frear. Dit woord kan duiden op een put, een waterreservoir of een verticale schacht (1Sa 19:22, Septuaginta; Lu 14:5; Opb 9:1). Waterputten werden vaak gevoed door een natuurlijke bron en soms werden ze verder uitgegraven. Dat kan verklaren waarom ‘bron’ en ‘put’ hier door elkaar worden gebruikt voor dezelfde watertoevoer. (Zie aantekening bij Jakobsput in dit vers.)

rond het zesde uur: Dat wil zeggen rond 12.00 uur. (Zie aantekening bij Mt 20:3.)

Joden gaan namelijk niet met Samaritanen om: Het woord Samaritanen sloeg in de Bijbel in eerste instantie op de Joden van het tienstammenrijk voordat het door de Assyriërs werd veroverd (2Kon 17:29). De Samaritanen scheidden zich al eerder van de rest van de Joden af toen Jerobeam in het tienstammenrijk Israël afgodenaanbidding instelde (1Kon 12:26-30). Na de verovering door de Assyriërs werd de term gebruikt voor afstammelingen van degenen die in het gebied Samaria waren achtergebleven en voor de buitenlanders die ernaartoe werden gebracht om het gebied te bevolken. Hoewel de Samaritanen beweerden alleen van de stammen Manasse en Efraïm af te stammen, hebben er ongetwijfeld huwelijken met de buitenlanders plaatsgevonden, en de Bijbel laat zien dat de aanbidding in Samaria door deze gemengde bevolking nog verder achteruitging (2Kon 17:24-41). Toen de Joden uit ballingschap in Babylon terugkwamen, beweerden de Samaritanen Jehovah te aanbidden, maar ze boden tegenstand bij de herbouw van de tempel en de stadsmuren van Jeruzalem. Waarschijnlijk bouwden ze in de vierde eeuw v.Chr. hun eigen tempel op de berg Gerizim, maar die werd in 128 v.Chr. door de Joden verwoest. Toch gingen de Samaritanen ermee door op die berg hun godsdienst uit te oefenen, en in de eerste eeuw bevolkten ze het Romeinse district Samaria, dat tussen Judea en Galilea lag. Ze aanvaardden alleen de eerste vijf boeken van de Bijbel en misschien het boek Jozua, maar ze veranderden een aantal verzen om de locatie van hun eigen tempel te ondersteunen. In Jezus’ tijd had de term een etnische en een religieuze gevoelswaarde, en de Joden behandelden de Samaritanen met minachting (Jo 8:48).

(...) met Samaritanen om: Hoewel dit gedeelte tussen haakjes in sommige manuscripten niet voorkomt, wordt het goed ondersteund door oude, gezaghebbende manuscripten.

Het water dat ik hem zal geven: ‘Water’ en ‘bron’ worden hier figuurlijk gebruikt. Eerder in zijn gesprek met de Samaritaanse vrouw had Jezus het over ‘levend water’ gehad. (Zie aantekening bij Jo 4:10.) Vervolgens legt hij uit dat het water dat hij geeft in personen die het krijgen een bron van water wordt dat eeuwig leven kan geven. In Gods Woord staat water vaak symbool voor Gods voorzieningen om de mensen weer volmaakt leven te geven. Een belangrijk onderdeel van dit symbolische water is Jezus’ loskoopoffer. In deze context focust Jezus op de geestelijke voordelen voor degenen die naar hem luisteren en zijn discipelen worden. Als ze Jehovah God en Jezus Christus ‘leren kennen’ en met geloof naar die kennis handelen, hebben ze het vooruitzicht eeuwig leven te krijgen (Jo 17:3). Jezus zei dat als iemand dit symbolische water aanvaardt, het in hem een bron wordt waaruit levengevende voordelen opborrelen. Zo iemand voelt zich ook gedrongen om dit ‘levengevende water’ met anderen te delen (Opb 21:6; 22:1, 17; zie aantekening bij Jo 7:38).

levend water: Deze Griekse uitdrukking wordt in letterlijke zin gebruikt voor stromend water, bronwater of vers water uit een put die wordt gevoed door een waterbron. Het is het tegenovergestelde van stilstaand water uit een regenput. Waar in Le 14:5 over ‘vers water’ wordt gesproken, staat in het Hebreeuws letterlijk ‘levend water’. In Jer 2:13 en 17:13 wordt Jehovah beschreven als ‘de bron van levend water’, dat wil zeggen symbolisch levengevend water. In zijn gesprek met de Samaritaanse vrouw gebruikte Jezus de uitdrukking ‘levend water’ figuurlijk, maar blijkbaar vatte ze zijn woorden in eerste instantie letterlijk op (Jo 4:11; zie aantekening bij Jo 4:14).

Jakobsput: Traditioneel wordt de put in verband gebracht met Bir Jaʽqub (Beʼer Jaʽaqov), zo’n 2,5 km ten ZO van het huidige Nabloes, niet ver van Tell Balata, de plaats waar Sichem lag. Dit is een diepe put, waarin het waterpeil nooit tot de rand stijgt. Bij metingen die in de 19de eeuw zijn gedaan, was de put zo’n 23 m diep. Op de bodem ligt puin, dus misschien is de put in het verleden nog dieper geweest (Jo 4:11). Omdat de put normaal van omstreeks eind mei tot de herfstregens droogstaat, denken sommigen dat hij door regenwater en grondwater gevoed wordt. Anderen denken dat de put ook gevoed wordt door een bron. (Zie aantekening bij put in dit vers.) De Bijbel zegt niet rechtstreeks dat Jakob de put gegraven heeft, maar geeft wel aan dat Jakob in deze omgeving een stuk grond had (Ge 33:18-20; Joz 24:32). Waarschijnlijk heeft Jakob deze put gegraven of laten graven, misschien om zijn grote huishouden en kudden van water te voorzien. Op die manier kon hij problemen met de buren voorkomen, die ongetwijfeld eigenaar waren van de andere waterbronnen in de omgeving. Het kan ook zijn dat hij een extra watertoevoer nodig had voor het geval andere putten in de omgeving opdroogden.

de put is diep: Zie aantekening bij Jo 4:6.

onze voorvader Jakob: De Samaritanen beweerden via Jozef van Jakob af te stammen, een bewering waar veel Joden uit die tijd het waarschijnlijk niet mee eens waren. Om te benadrukken dat de Samaritanen van andere volken afstamden, noemden sommige Joden hen in het Hebreeuws ‘Chuthim’ of ‘Chutheeërs’, dat wil zeggen mensen uit Kuth of Kutha. De namen Kuth en Kutha duiden op de oorspronkelijke woonplaats van degenen die na de ballingschap van Israël in 740 v.Chr. door de koning van Assyrië waren overgebracht naar de steden van Samaria. Deze plaatsen lagen waarschijnlijk zo’n 50 km ten NO van Babylon (2Kon 17:23, 24, 30).

levend water: Deze Griekse uitdrukking wordt in letterlijke zin gebruikt voor stromend water, bronwater of vers water uit een put die wordt gevoed door een waterbron. Het is het tegenovergestelde van stilstaand water uit een regenput. Waar in Le 14:5 over ‘vers water’ wordt gesproken, staat in het Hebreeuws letterlijk ‘levend water’. In Jer 2:13 en 17:13 wordt Jehovah beschreven als ‘de bron van levend water’, dat wil zeggen symbolisch levengevend water. In zijn gesprek met de Samaritaanse vrouw gebruikte Jezus de uitdrukking ‘levend water’ figuurlijk, maar blijkbaar vatte ze zijn woorden in eerste instantie letterlijk op (Jo 4:11; zie aantekening bij Jo 4:14).

zullen rivieren van levend water stromen: Misschien heeft Jezus hier gezinspeeld op een gewoonte tijdens het Loofhuttenfeest. Volgens het gebruik werd met een gouden kruik water uit het bassin van Siloam gehaald en bij het morgenoffer op het altaar gegoten, samen met wijn. (Zie aantekening bij Jo 7:2, Woordenlijst ‘Loofhuttenfeest’ en App. B15.) Dit gebruik wordt niet in de Hebreeuwse Geschriften vermeld maar is later toegevoegd. Volgens de meeste geleerden werd dit op zeven dagen van het feest gedaan maar niet op de achtste dag, die een plechtige vergadering was. Op de openingsdag van het feest, een sabbat, goot de priester water uit dat de dag ervoor vanuit het bassin van Siloam naar de tempel was gebracht. Op de dagen daarna ging de priester steeds naar het bassin van Siloam om een gouden kruik met water te vullen. Hij zorgde ervoor dat hij precies bij de tempel terug was als de priesters klaar waren om de stukken van het slachtoffer op het altaar te leggen. Wanneer hij via de Waterpoort bij het voorhof van de priesters arriveerde, werd zijn komst aangekondigd met drie trompetstoten. Vervolgens werd het water in een bekken gegoten vanwaaruit het naar de voet van het altaar stroomde. Gelijktijdig werd de wijn in een ander bekken gegoten. Daarna klonk er tempelmuziek en werden er hallelpsalmen (Ps 113-118) gezongen terwijl de aanbidders met hun palmtakken in de richting van het altaar zwaaiden. Deze ceremonie deed de vreugdevolle feestvierders misschien denken aan Jesaja’s profetische woorden: ‘Met vreugde zullen jullie water putten uit de bronnen van redding’ (Jes 12:3).

Het water dat ik hem zal geven: ‘Water’ en ‘bron’ worden hier figuurlijk gebruikt. Eerder in zijn gesprek met de Samaritaanse vrouw had Jezus het over ‘levend water’ gehad. (Zie aantekening bij Jo 4:10.) Vervolgens legt hij uit dat het water dat hij geeft in personen die het krijgen een bron van water wordt dat eeuwig leven kan geven. In Gods Woord staat water vaak symbool voor Gods voorzieningen om de mensen weer volmaakt leven te geven. Een belangrijk onderdeel van dit symbolische water is Jezus’ loskoopoffer. In deze context focust Jezus op de geestelijke voordelen voor degenen die naar hem luisteren en zijn discipelen worden. Als ze Jehovah God en Jezus Christus ‘leren kennen’ en met geloof naar die kennis handelen, hebben ze het vooruitzicht eeuwig leven te krijgen (Jo 17:3). Jezus zei dat als iemand dit symbolische water aanvaardt, het in hem een bron wordt waaruit levengevende voordelen opborrelen. Zo iemand voelt zich ook gedrongen om dit ‘levengevende water’ met anderen te delen (Opb 21:6; 22:1, 17; zie aantekening bij Jo 7:38).

deze berg: Dat wil zeggen de Gerizim. (Zie App. B10.) Deze berg wordt vier keer in de Hebreeuwse Geschriften vermeld (De 11:29; 27:12; Joz 8:33; Re 9:7). Mogelijk in de vierde eeuw v.Chr werd op de berg een Samaritaanse tempel gebouwd om met die in Jeruzalem te wedijveren. Deze tempel is in 128 v.Chr. door de Joden verwoest. De Samaritanen aanvaardden alleen de eerste vijf boeken van de Bijbel en misschien het boek Jozua, maar enkel in hun eigen herziene versie, de Samaritaanse Pentateuch. Die was geschreven in hun eigen karakters, afgeleid van het Oudhebreeuws. De tekst wijkt in zo’n 6000 gevallen af van de masoretische tekst van de Hebreeuwse Bijbel. Meestal gaat het om onbelangrijke details, maar er zijn enkele grote verschillen. Zo is in De 27:4 ‘de berg Ebal’ — de plek waar de wet van Mozes op met kalk bestreken stenen geschreven moest worden — vervangen door ‘de berg Gerizim’ (De 27:8). Dit was duidelijk bedoeld om de opvatting van de Samaritanen te ondersteunen dat de Gerizim de heilige berg van God was.

redding begint bij de Joden: Of ‘redding is uit (komt van) de Joden’. Jezus’ uitspraak impliceert dat Gods Woord, de zuivere aanbidding en de waarheid die tot redding kon leiden aan het Joodse volk waren toevertrouwd (Ro 3:1, 2). Ze waren ook uitgekozen als het volk waaruit de Messias zou voortkomen, die Gods belofte over het ‘nageslacht’ van Abraham zou vervullen (Ge 22:18; Ga 3:16). Toen Jezus met de Samaritaanse vrouw praatte, konden mensen alleen via de Joden te weten komen wat de waarheid over God was, wat hij van mensen vroeg en waaraan de Messias te herkennen zou zijn. Israël was nog steeds Gods kanaal en iedereen die hem wilde dienen moest zich verbinden met zijn uitverkoren volk.

God is een Geest: Het Griekse pneuma wordt hier gebruikt in de betekenis van een geestelijk wezen, een persoon in het geestenrijk. (Zie Woordenlijst.) De Bijbel laat zien dat God, de verheerlijkte Jezus en de engelen geesten zijn (1Kor 15:45; 2Kor 3:17; Heb 1:14). Een geest is een heel andere levensvorm dan een mens en is onzichtbaar voor mensenogen. Geesten hebben ‘een geestelijk lichaam’ dat veruit superieur is aan ‘een fysiek lichaam’ (1Kor 15:44; Jo 1:18). Bijbelschrijvers spreken over Gods gezicht, ogen, oren, handen en dergelijke, maar dat is beeldspraak die mensen helpt te begrijpen hoe God is. De Bijbel laat duidelijk zien dat God een persoonlijkheid heeft. Hij leeft ook ergens buiten de fysieke wereld. Daarom kon Christus zeggen dat hij ‘naar de Vader’ ging (Jo 16:28). Volgens Heb 9:24 is Christus binnengegaan ‘in de hemel zelf, zodat hij nu ten behoeve van ons voor God verschijnt’.

met geest (...) aanbidden: Zoals het lemma ‘Geest’ in de Woordenlijst laat zien, heeft het Griekse pneuma meerdere betekenissen, waaronder Gods actieve kracht of heilige geest en ook de kracht die mensen aandrijft, dat wil zeggen hun mentaliteit. Een overeenkomst tussen de verschillende betekenissen van ‘geest’ is dat het gaat om dingen die onzichtbaar zijn voor mensenogen. Jezus legde in Jo 4:21 uit dat aanbidding van de Vader niet gebonden zou zijn aan een locatie, zoals de berg Gerizim in Samaria of de tempel in Jeruzalem. Omdat God onstoffelijk is en je hem niet kunt zien of aanraken, zou de aanbidding van hem niet langer draaien om een letterlijke tempel of een berg. In andere Bijbelverzen liet Jezus zien dat iemand zich moet laten leiden door Gods onzichtbare heilige geest, ook wel een ‘helper’ genoemd, om God op een aanvaardbare manier te aanbidden (Jo 14:16, 17; 16:13). ‘Met geest aanbidden’ slaat dus kennelijk op aanbidding die wordt geleid door Gods geest. Die geest zou iemand helpen zich af te stemmen op Gods manier van denken door Zijn Woord te bestuderen en toe te passen. Jezus’ uitspraak over God ‘met geest’ aanbidden houdt dus veel meer in dan God dienen met een oprechte, enthousiaste geest of mentaliteit.

met (...) waarheid aanbidden: Aanbidding die aanvaardbaar is voor God, kan niet gebaseerd zijn op fantasie, mythen of leugens, maar moet in overeenstemming zijn met de feiten en met ‘de waarheid’ die God in zijn Woord heeft onthuld over zichzelf en zijn voornemens (Jo 17:17). Zo’n aanbidding moet overeenkomen met ‘wat je niet ziet’ maar in Gods Woord wordt onthuld (Heb 9:24; 11:1; zie ook de aantekening bij met geest (...) aanbidden in dit vers).

Christus: Deze titel is afgeleid van het Griekse Christos en is het equivalent van de titel Messias (van het Hebreeuwse masjiach). Beide woorden betekenen ‘gezalfde’. In Bijbelse tijden werden leiders ceremonieel gezalfd met olie.

Ik weet dat de Messias komt: De Samaritanen aanvaardden alleen de vijf boeken van Mozes, ook wel de Pentateuch genoemd. De rest van de Hebreeuwse Geschriften aanvaardden ze niet, mogelijk met uitzondering van het boek Jozua. Maar omdat de Samaritanen de geschriften van Mozes aanvaardden, zagen ze uit naar de komst van de Messias, de profeet die groter zou zijn dan Mozes (De 18:18, 19).

Messias: Het Griekse Messias (een transliteratie van het Hebreeuwse woord masjiach) komt maar twee keer in de Griekse Geschriften voor (hier en in Jo 1:41). De titel masjiach is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord masjach, dat ‘(met een vloeistof) bestrijken of besmeren’ en ‘zalven’ betekent (Ex 29:2, 7). In Bijbelse tijden werden priesters, regeerders en profeten ceremonieel gezalfd met olie (Le 4:3; 1Sa 16:3, 12, 13; 1Kon 19:16). De titel Christus (Grieks: Christos) komt meer dan 500 keer in de Griekse Geschriften voor en is het equivalent van de titel Messias. Beide woorden betekenen ‘gezalfde’. (Zie aantekening bij Mt 1:1.)

Dat ben ik: Lett.: ‘ik ben’. Grieks: ego eimi. Sommigen denken dat deze uitdrukking een zinspeling is op de Septuaginta-weergave van Ex 3:14 en gebruiken dit om te betogen dat Jezus God is. Maar de bewoordingen in Ex 3:14 (ego eimi ho on, ‘Ik ben de Zijnde’, ‘Ik ben de Bestaande’) zijn anders dan die in Jo 4:26. Bovendien gebruikt de Septuaginta de uitdrukking ego eimi om woorden weer te geven die zijn uitgesproken door Abraham, Eliëzer, Jakob, David en anderen (Ge 15:2; 23:4; 24:34; 30:2; 1Kr 21:17). In de christelijke Griekse Geschriften is ego eimi niet alleen maar gebruikt voor woorden die Jezus heeft gezegd. Dezelfde Griekse woorden zijn in Jo 9:9 gebruikt in het antwoord van een man die door Jezus was genezen. Ze brengen gewoon de boodschap over: ‘Ik ben het.’ Ook de engel Gabriël en Petrus, Paulus en anderen gebruikten deze woorden (Lu 1:19; Han 10:21; 22:3). Het is duidelijk dat die uitspraken niet naar Ex 3:14 verwijzen. Een vergelijking van de parallelverslagen in de synoptische evangeliën laat zien dat de uitdrukking ego eimi in Mr 13:6 en Lu 21:8 (‘Ik ben het’) een beknopte weergave is van de completere gedachte in Mt 24:5, die is vertaald met ‘Ik ben de Christus’.

Dat ben ik, degene die met je praat: Kennelijk is dit de eerste keer dat Jezus openlijk verklaart dat hij de Messias of Christus is. En dat zegt hij tegen een vrouw die niet eens Joods is maar Samaritaans (Jo 4:9, 25). De meeste Joden minachtten Samaritanen en weigerden hen te groeten, en veel Joodse mannen keken neer op vrouwen. Later eerde Jezus andere vrouwen op een vergelijkbare manier door ze het voorrecht te geven de eerste getuigen van zijn opstanding te zijn (Mt 28:9, 10).

met een vrouw in gesprek: Hoewel het tegen de geest van de wet van Mozes inging, ontmoedigde de Joodse traditie mannen om in het openbaar met vrouwen te praten. Kennelijk was dit in Jezus’ tijd de algemene zienswijze. Dat zou verklaren waarom zelfs zijn discipelen ‘verbaasd waren’ toen ze Jezus zagen praten met de Samaritaanse vrouw. Volgens de Talmoed zeiden rabbi’s uit de oudheid dat een ontwikkeld man ‘op straat niet met een vrouw hoorde te praten’. En volgens de Misjna zei een rabbi: ‘Spreek niet veel met vrouwen. (...) Wie veel met vrouwen spreekt, haalt zich narigheid op de hals en verwaarloost de studie van de wet en zal ten slotte Gehenna beërven’ (Avot 1:5).

het nog vier maanden duurt voordat de oogst komt: De gerstoogst begint in de Joodse maand nisan (maart/april), rond de tijd van het Pascha. (Zie App. B15.) Als je vier maanden terugtelt, zou Jezus dit hebben gezegd in de maand kislev (november/december). Dat was de tijd waarin het harder begon te regenen en er kouder weer aankwam. Jezus’ woorden over een oogst die nu al plaatsvond, duiden blijkbaar op een figuurlijke oogst, het bijeenbrengen van mensen, en niet op een letterlijke oogst (Jo 4:36).

wit: Dat wil zeggen rijp. Het Griekse leukos, dat wordt gebruikt voor wit en verschillende lichte kleuren, zoals lichtgeel, duidt aan dat het gewas rijp was en geoogst kon worden. Aangezien Jezus hier zegt dat ‘het nog vier maanden duurt voordat de oogst komt’, waren de omliggende velden waarschijnlijk groen — de kleur van pas opgekomen gerst. Toen Jezus dus zei dat de velden rijp waren om geoogst te worden, had hij ongetwijfeld een geestelijke oogst in gedachten, geen letterlijke. Volgens sommige geleerden kan Jezus met zijn aanmoediging eens goed naar de velden te kijken gedoeld hebben op een grote groep Samaritanen die eraan kwam en kan hij met zijn opmerking over de velden die ‘wit’ waren hebben gezinspeeld op de witte kleding die ze mogelijk droegen. Zijn opmerking kan ook een stijlfiguur zijn geweest waarmee hij aangaf dat ze er klaar voor waren de boodschap te aanvaarden (Jo 4:28-30).

Veel Samaritanen (...) gingen in hem geloven: Het effect van Jezus’ gesprek met de Samaritaanse vrouw was duidelijk. Door haar getuigenis gingen veel Samaritanen in Jezus geloven. Hoewel de geestelijke oogst begon bij de Joden, blijkt uit het geïnspireerde verslag dat er al snel een grotere oogst zou komen die ook de Samaritanen omvatte. Jezus’ prediking tot de Samaritaanse vrouw legde ongetwijfeld de basis voor de positieve reactie van veel Samaritanen op Filippus’ prediking (Jo 4:34-36; Han 1:8; 8:1, 14-17).

het Lam van God: Nadat Jezus was gedoopt en door de Duivel was beproefd, presenteerde Johannes de Doper hem als ‘het Lam van God’. Deze uitdrukking komt alleen hier en in Jo 1:36 voor. (Zie App. A7.) Het is passend dat Jezus met een lam wordt vergeleken. In Bijbelse tijden werden schapen geofferd uit zondebesef en om tot God te kunnen naderen. Dat was een voorafbeelding van het slachtoffer dat Jezus zou brengen door zijn volmaakte menselijke leven voor de mensheid te geven. De uitdrukking ‘het Lam van God’ kan verwijzen naar meerdere gedeelten in de geïnspireerde Schrift. Aangezien Johannes de Doper de Hebreeuwse Geschriften goed kende, kan hij hebben gezinspeeld op een of meer van de volgende offerdieren: de ram die Abraham offerde in plaats van zijn eigen zoon Isaäk (Ge 22:13), het paschalam dat in Egypte werd geslacht voor de bevrijding van de Israëlieten uit slavernij (Ex 12:1-13) of het mannetjeslam dat elke ochtend en avond op Gods altaar in Jeruzalem werd geofferd (Ex 29:38-42). Johannes kan ook gedacht hebben aan de profetie van Jesaja waarin over degene die Jehovah ‘mijn dienaar’ noemt gezegd wordt dat hij ‘als een schaap naar de slacht’ zou worden geleid (Jes 52:13; 53:5, 7, 11). Paulus noemde Jezus in zijn eerste brief aan de Korinthiërs ‘ons paschalam’ (1Kor 5:7). Petrus had het over Christus’ ‘kostbare bloed, zoals dat van een lam zonder smet of gebrek’ (1Pe 1:19). En in het boek Openbaring wordt de verheerlijkte Jezus meer dan 25 keer figuurlijk ‘het Lam’ genoemd. (Enkele voorbeelden zijn: Opb 5:8; 6:1; 7:9; 12:11; 13:8; 14:1; 15:3; 17:14; 19:7; 21:9; 22:1.)

de wereld: Het Griekse kosmos houdt in de Griekse literatuur en vooral in de Bijbel nauw verband met de mensheid. In deze context en in Jo 3:16 slaat kosmos op de hele wereld van mensen die schuldig zijn aan zonde, dat wil zeggen de zonde die ze van Adam hebben geërfd.

oordelen: Of ‘veroordelen’. Jehovah heeft zijn Zoon niet gestuurd om de mensenwereld te veroordelen, maar hij heeft hem uit liefde gestuurd om degenen te redden die geloof tonen (Jo 3:16; 2Pe 3:9).

redder van de wereld: Deze uitdrukking komt alleen hier en in 1Jo 4:14 voor en geeft aan dat Jezus personen uit de mensenwereld zou redden die geloof tonen. (Zie aantekeningen bij Jo 1:29 en 3:17.)

zijn eigen land: Lett.: ‘zijn vaderland’. Het Griekse woord dat met ‘eigen land’ is vertaald, wordt in Mt 13:54 en Mr 6:1 weergegeven met ‘de streek waar hij vandaan kwam’ en in Lu 4:24 met ‘zijn eigen plaats’. In die gevallen wordt Nazareth bedoeld. Maar in deze context lijkt het te slaan op heel Galilea (Jo 4:43).

Kana: Komt waarschijnlijk van het Hebreeuwse woord qaneh (riet) en zou dan ‘rietplaats’ betekenen. Alleen Johannes vermeldt deze plaats en hij heeft het altijd over Kana in Galilea (Jo 2:11; 4:46; 21:2), waarschijnlijk om onderscheid te maken met Kana (Hebr.: Qanah) in het gebied van de stam Aser (Joz 19:24, 28). Veel geleerden brengen de plaats in verband met Khirbet Qana, waar de ruïnes liggen van een oud dorp op een heuvel aan de N-kant van het Dal van Bet Netofa (de Vlakte van el-Battuf), zo’n 13 km ten N van Nazareth. In het Arabisch wordt de plaats nog steeds Qana el-Jelil genoemd, wat ‘Kana in Galilea’ betekent. Op het nabijgelegen moerasland groeit veel riet, wat de naam Kana heel toepasselijk maakt. Er zijn overblijfselen gevonden van oude waterputten en van wat naar men denkt een synagoge was (uit het eind van de eerste eeuw of uit de tweede eeuw). Ook zijn er potscherven van aardewerk en munten gevonden die gedateerd worden op de eerste eeuw. Volgens de kerktraditie lag Kana waar nu Kafr Kanna ligt (6,5 km ten NO van Nazareth), mogelijk omdat die plaats voor pelgrims makkelijk bereikbaar is vanuit Nazareth. Maar de naam van deze locatie lijkt geen taalkundige connectie te hebben met het Kana in Galilea dat in de Bijbel staat.

De koning: De officiële Romeinse titel van Herodes Antipas was tetrarch. (Zie aantekening bij Mt 14:1.) Maar meestal werd hij ‘koning’ genoemd.

Koning Herodes: Dat wil zeggen Herodes Antipas, de zoon van Herodes de Grote. (Zie Woordenlijst.) Mattheüs en Lukas gebruiken de officiële Romeinse titel van Antipas: ‘tetrarch’ of ‘districtsregeerder’. (Zie aantekeningen bij Mt 14:1 en Lu 3:1.) Zijn tetrarchie bestond uit Galilea en Perea. Meestal werd Herodes ‘de koning’ genoemd. Dat is de titel die één keer door Mattheüs wordt gebruikt (Mt 14:9) en de enige titel die Markus voor Herodes gebruikt (Mr 6:22, 25-27).

Kana in Galilea (...) Kapernaüm: Over de weg gerekend is de afstand tussen Kana (Khirbet Qana) en Kapernaüm zo’n 40 km. (Zie aantekening bij Jo 2:1.)

een hofbeambte: Of ‘een dienaar van de koning’. Het Griekse woord basilikos slaat op iemand die een connectie heeft met de koning (basileus), door bloedverwantschap of door functie. Hier lijkt het te duiden op een hofbeambte of lid van de hofhouding van Herodes Antipas, de tetrarch van Galilea die meestal ‘koning’ werd genoemd. (Zie aantekeningen bij Mt 14:9 en Mr 6:14.)

Kana: Komt waarschijnlijk van het Hebreeuwse woord qaneh (riet) en zou dan ‘rietplaats’ betekenen. Alleen Johannes vermeldt deze plaats en hij heeft het altijd over Kana in Galilea (Jo 2:11; 4:46; 21:2), waarschijnlijk om onderscheid te maken met Kana (Hebr.: Qanah) in het gebied van de stam Aser (Joz 19:24, 28). Veel geleerden brengen de plaats in verband met Khirbet Qana, waar de ruïnes liggen van een oud dorp op een heuvel aan de N-kant van het Dal van Bet Netofa (de Vlakte van el-Battuf), zo’n 13 km ten N van Nazareth. In het Arabisch wordt de plaats nog steeds Qana el-Jelil genoemd, wat ‘Kana in Galilea’ betekent. Op het nabijgelegen moerasland groeit veel riet, wat de naam Kana heel toepasselijk maakt. Er zijn overblijfselen gevonden van oude waterputten en van wat naar men denkt een synagoge was (uit het eind van de eerste eeuw of uit de tweede eeuw). Ook zijn er potscherven van aardewerk en munten gevonden die gedateerd worden op de eerste eeuw. Volgens de kerktraditie lag Kana waar nu Kafr Kanna ligt (6,5 km ten NO van Nazareth), mogelijk omdat die plaats voor pelgrims makkelijk bereikbaar is vanuit Nazareth. Maar de naam van deze locatie lijkt geen taalkundige connectie te hebben met het Kana in Galilea dat in de Bijbel staat.

mee wilde gaan: Lett.: ‘afdalen’. Dat wil zeggen naar Kapernaüm. In de oudheid liep er een weg langs Khirbet Qana (waarschijnlijk het Kana uit de Bijbel, zie aantekening bij Jo 2:1) naar de oever van het Meer van Galilea en langs de oever naar Kapernaüm, dat ruim 200 m beneden zeeniveau lag. Vandaar de vraag of hij wilde ‘afdalen’ naar Kapernaüm.

Rond het derde uur: Dat wil zeggen rond 9.00 uur. In de eerste eeuw had een dag voor de Joden 12 uur, te beginnen met zonsopgang rond 6.00 uur (Jo 11:9). Het derde uur was dus rond 9.00 uur, het zesde uur rond 12.00 uur en het negende uur rond 15.00 uur. Omdat de mensen geen nauwkeurige uurwerken hadden, werd meestal alleen de geschatte tijd van een gebeurtenis vermeld (Jo 1:39; 4:6; 19:14; Han 10:3, 9).

het zevende uur: Dat wil zeggen rond 13.00 uur. (Zie aantekening bij Mt 20:3.)

de tweede keer dat Jezus een wonder deed: Lett.: ‘het tweede teken dat Jezus deed’. Het gaat hier om de tweede keer dat Jezus in Galilea een wonder deed na een terugkeer uit Judea. Het eerste wonder wordt vermeld in Jo 2:11. Jezus deed nog andere wonderen in Jeruzalem voordat hij dit tweede wonder in Galilea deed (Jo 2:23).

Media

Berg Gerizim
Berg Gerizim

Het filmpje toont de berg Gerizim (1) met aan de voet de plaats waar zich volgens de traditie de Jakobsput bevond (2), en de berg Ebal (3). Bij de Jakobsput praatte Jezus met de Samaritaanse vrouw (Jo 4:6, 7). De Gerizim ligt midden in het district Samaria. De top ligt ruim 850 m boven de zeespiegel. De huidige stad Nabloes ligt tussen de bergen in het vruchtbare dal van Sichem. Op de Gerizim werd een Samaritaanse tempel gebouwd, misschien in de vierde eeuw v.Chr., maar die is in 128 v.Chr. verwoest. Kennelijk had de Samaritaanse vrouw het over de Gerizim toen ze tegen Jezus zei: ‘Onze voorouders hebben God aanbeden op deze berg, maar jullie zeggen dat in Jeruzalem de plek is waar hij aanbeden moet worden.’ Om te laten uitkomen dat ware aanbidding niet afhankelijk is van een locatie, antwoordde Jezus: ‘Er komt een tijd dat jullie de Vader niet op deze berg en ook niet in Jeruzalem zullen aanbidden’ (Jo 4:20, 21).

Oogsters
Oogsters

In Bijbelse tijden trokken de oogsters soms gewoon de graanhalmen uit de grond. Maar meestal oogstten ze het graan door de halmen met een sikkel af te snijden (De 16:9; Mr 4:29). Oogsten was vaak een collectieve inspanning, waarbij de oogsters in groepen samenwerkten om het rijpe graan van de akker te verzamelen (Ru 2:3; 2Kon 4:18). Verschillende Bijbelschrijvers, zoals koning Salomo, de profeet Hosea en de apostel Paulus, gebruikten het oogstwerk om belangrijke waarheden te illustreren (Sp 22:8; Ho 8:7; Ga 6:7-9). En Jezus gebruikte deze bekende activiteit om te illustreren welke rol de engelen en zijn volgelingen zouden spelen bij het maken van discipelen (Mt 13:24-30, 39; Jo 4:35-38).