Volgens Johannes 11:1-57

11  Een man die Lazarus heette was ziek. Hij kwam uit Betha̱nië,+ het dorp van Maria en haar zus Martha.+  Dit was de Maria die geurige olie over de Heer uitgoot en zijn voeten met haar haar afdroogde.+ De zieke Lazarus was haar broer.  De zussen stuurden Jezus de boodschap: ‘Heer, je goede vriend* is ziek.’+  Toen Jezus dat hoorde, zei hij: ‘Deze ziekte is niet bedoeld om te eindigen in de dood, maar is tot eer van God,+ zodat de Zoon van God erdoor geëerd zal worden.’  Jezus hield van Martha en haar zus, en van Lazarus.  Maar toen hij hoorde dat Lazarus ziek was, bleef hij toch nog twee dagen op de plaats waar hij was.  Daarna zei hij tegen de discipelen: ‘Laten we weer naar Judea gaan.’  De discipelen zeiden: ‘Rabbi,+ kort geleden wilden de Judeeërs je nog stenigen,+ en nu ga je er weer naartoe?’  Jezus antwoordde: ‘Is het elke dag niet 12 uur licht?+ Als iemand in het daglicht loopt, struikelt hij nergens over, omdat hij het licht van deze wereld ziet. 10  Maar als iemand ’s nachts loopt, struikelt hij, omdat het licht niet in hem is.’ 11  Nadat hij dat had gezegd, zei hij: ‘Lazarus, onze vriend, slaapt,+ maar ik ga erheen om hem wakker te maken.’ 12  De discipelen zeiden: ‘Heer, als hij slaapt, zal hij beter* worden.’ 13  Ze dachten namelijk dat hij het over de gewone slaap had, maar Jezus bedoelde dat hij was gestorven. 14  Toen zei Jezus ronduit tegen ze: ‘Lazarus is gestorven,+ 15  en om jullie ben ik blij dat ik daar niet was, zodat jullie kunnen geloven. Laten we nu naar hem toe gaan.’ 16  Thomas, die de Tweeling werd genoemd, zei tegen de andere discipelen: ‘Laten wij ook maar gaan, dan kunnen we samen met hem sterven.’+ 17  Toen Jezus aankwam, bleek dat Lazarus al vier dagen in het graf lag. 18  Betha̱nië lag dicht bij Jeruzalem, ongeveer drie kilometer ervandaan. 19  Er waren veel Joden naar Martha en Maria gekomen om ze te troosten nu hun broer gestorven was. 20  Toen Martha hoorde dat Jezus eraan kwam, ging ze hem tegemoet. Maar Maria+ bleef thuis. 21  Martha zei tegen Jezus: ‘Heer, als je hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn. 22  Toch weet ik zelfs nu dat God je alles zal geven wat je aan God vraagt.’ 23  Jezus zei: ‘Je broer zal opstaan.’ 24  Daarop zei Martha: ‘Ik weet dat hij zal opstaan in de opstanding+ op de laatste dag.’ 25  Jezus zei tegen haar: ‘Ik ben de opstanding en het leven.+ Wie in mij gelooft, zal, ook al sterft hij, weer tot leven komen. 26  En iedereen die leeft en in mij gelooft, zal helemaal nooit sterven.+ Geloof je dat?’ 27  ‘Ja, Heer,’ zei ze, ‘ik geloof dat jij de Christus bent, de Zoon van God, degene die in de wereld zou komen.’ 28  Na dat te hebben gezegd ging ze weg om haar zus Maria te roepen. Ze fluisterde tegen haar: ‘De Meester+ is er en vraagt naar je.’ 29  Toen Maria dat hoorde, stond ze vlug op en ging naar hem toe. 30  Jezus was nog niet in het dorp maar was nog op de plek waar Martha hem had ontmoet. 31  Toen de Joden die bij Maria in huis waren om haar te troosten, haar haastig zagen opstaan en vertrekken, volgden ze haar. Ze dachten dat ze naar het graf+ ging om daar te huilen. 32  Toen Maria op de plek kwam waar Jezus was en hem zag, viel ze aan zijn voeten. Ze zei: ‘Heer, als je hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn.’ 33  Toen Jezus haar zag huilen en ook de Joden die met haar waren meegekomen, zuchtte hij in zichzelf. Het raakte hem diep. 34  Hij vroeg: ‘Waar hebben jullie hem neergelegd?’ Ze zeiden: ‘Kom maar kijken, Heer.’ 35  Jezus liet zijn tranen de vrije loop.+ 36  Toen zeiden de Joden: ‘Kijk eens hoe hij aan hem gehecht was!’ 37  Maar sommigen van hen zeiden: ‘Hij heeft de ogen van de blinde man geopend.+ Kon hij dan niet voorkomen dat deze man stierf?’ 38  Na opnieuw in zichzelf te hebben gezucht, ging Jezus naar het graf. Het was een grot, en er lag een steen tegenaan. 39  ‘Haal de steen weg’, zei Jezus. Martha, de zus van de overledene, zei tegen hem: ‘Maar Heer, de stank! Het is al de vierde dag.’ 40  Jezus zei tegen haar: ‘Ik heb je toch gezegd dat je de glorie van God zou zien als je zou geloven?’+ 41  Toen haalden ze de steen weg. Jezus keek omhoog+ en zei: ‘Vader, dank u wel dat u me hebt verhoord. 42  Ik weet dat u me altijd verhoort. Maar ik zeg dit voor de menigte die hier staat, zodat ze zullen geloven dat u me hebt gestuurd.’+ 43  Nadat hij dat had gezegd, riep hij met een luide stem: ‘Lazarus, kom naar buiten!’+ 44  De man die dood was geweest, kwam naar buiten met windsels om zijn handen en voeten en met een doek om zijn gezicht gewikkeld. Jezus zei tegen hen: ‘Maak hem los en laat hem gaan.’ 45  Veel Joden die naar Maria waren gekomen en zagen wat hij deed, gingen in hem geloven.+ 46  Maar sommigen van hen gingen naar de farizeeën en vertelden hun wat Jezus had gedaan. 47  Daarop riepen de overpriesters en de farizeeën het Sanhedrin bij elkaar. Ze zeiden: ‘Wat moeten we doen? Deze man doet veel wonderen.*+ 48  Als we hem zijn gang laten gaan, zullen ze allemaal in hem gaan geloven. Dan komen de Romeinen en die zullen ons zowel onze plaats als ons volk afnemen.’ 49  Een van hen, Ka̱jafas,+ die dat jaar hogepriester was, zei toen tegen hen: ‘Jullie begrijpen er niets van. 50  Jullie hebben er niet aan gedacht dat het beter voor jullie is dat één man voor het volk sterft dan dat het hele volk wordt vernietigd.’+ 51  Dat zei hij echter niet uit zichzelf. Omdat hij dat jaar hogepriester was, profeteerde hij dat Jezus voor het volk zou sterven, 52  en niet alleen voor het volk, maar ook om de kinderen van God die overal verspreid zijn in eenheid bij elkaar te brengen.+ 53  Vanaf die dag smeedden ze plannen om hem te doden.+ 54  Jezus begaf zich daarom niet meer openlijk onder de Joden, maar hij vertrok naar het gebied dicht bij de woestijn,+ naar een stad die Efraïm+ heette. Daar bleef hij met de discipelen. 55  Het was kort voor het Pascha+ van de Joden, en veel mensen van het platteland gingen vóór het Pascha naar Jeruzalem om zich ceremonieel te reinigen. 56  Ze zochten naar Jezus en zeiden tegen elkaar terwijl ze in de tempel stonden: ‘Wat denk je? Zou hij helemaal niet naar het feest komen?’ 57  Maar de overpriesters en de farizeeën hadden het bevel gegeven dat als iemand te weten kwam waar Jezus was, hij het moest melden, zodat ze hem konden grijpen.*

Voetnoten

Of ‘degene aan wie je gehecht bent’.
Of ‘gered’.
Lett.: ‘tekenen’.
Of ‘arresteren’.

Aantekeningen

Lazarus: Waarschijnlijk de Griekse vorm van de Hebreeuwse naam Eleazar, die ‘God heeft geholpen’ betekent.

Bethanië: Een dorp op de OZO-helling van de Olijfberg op een afstand van zo’n 3 km van Jeruzalem (Jo 11:18). Het huis van Martha, Maria en Lazarus bevond zich in dit dorp en was blijkbaar Jezus’ uitvalsbasis in Judea (Jo 11:1). Tegenwoordig ligt op die plek een dorpje met een Arabische naam die ‘de plaats van Lazarus’ betekent.

Lazarus: Zie aantekening bij Lu 16:20.

Bethanië: Zie aantekening bij Mt 21:17.

Judeeërs: Of ‘Joden’. Het Griekse woord kan hier ook met ‘Joden’ worden weergegeven (net als in Jo 10:31, 33), maar Jezus had net tegen zijn discipelen gezegd: ‘Laten we weer naar Judea gaan.’ De weergave ‘Judeeërs’ is dan ook bedoeld om te laten zien dat het de Joden uit Judea waren die hadden geprobeerd hem te stenigen (Jo 11:7).

is niet gestorven, het slaapt: In de Bijbel wordt de dood vaak met de slaap vergeleken (Ps 13:3; Jo 11:11-14; 1Kor 7:39, vtn.; 15:51; 1Th 4:13; zie aantekening bij Han 7:60). Jezus ging het meisje weer tot leven brengen, dus hij heeft dit misschien gezegd omdat hij wilde demonstreren dat mensen uit de dood kunnen worden teruggebracht net zoals ze uit een diepe slaap kunnen worden gewekt. Jezus’ macht om het meisje op te wekken kwam van zijn Vader, ‘die de doden levend maakt en die over de dingen die niet zijn spreekt alsof ze er zijn’ (Ro 4:17).

stierf hij: Lett.: ‘ging hij slapen’. De Bijbel gebruikt het werkwoord slapen zowel voor de letterlijke slaap (Mt 28:13; Lu 22:45; Jo 11:12; Han 12:6) als voor de doodsslaap (Jo 11:11; Han 7:60; 13:36; 1Kor 7:39; 15:6, 51; 2Pe 3:4). Als het in de context van dat woord over de dood gaat, kunnen Bijbelvertalers het weergeven met ‘sterven’ of ‘slapen in de dood’, wat verwarring bij de lezer voorkomt. In figuurlijke zin wordt ‘slapen’ in de Bijbel gebruikt voor personen die zijn gestorven vanwege de zonde en de dood die ze van Adam hebben geërfd. (Zie aantekeningen bij Mr 5:39 en Jo 11:11.)

slaapt: In de Bijbel wordt de dood vaak vergeleken met een slaap (Ps 13:3; Mr 5:39; 1Kor 7:39, vtn.; 15:51; 1Th 4:13). Jezus ging Lazarus weer tot leven brengen. Dus hij heeft dit misschien gezegd om te demonstreren dat mensen uit de dood kunnen worden teruggebracht net zoals ze uit een diepe slaap kunnen worden gewekt. Jezus’ macht om Lazarus op te wekken kwam van zijn Vader, ‘die de doden levend maakt en die over de dingen die niet zijn spreekt alsof ze er zijn’ (Ro 4:17; zie aantekeningen bij Mr 5:39 en Han 7:60).

Thomas: Deze Griekse naam komt van een Aramees woord dat ‘tweeling’ betekent. De apostel Thomas stond ook bekend onder de Griekse naam Didumos (in sommige vertalingen weergegeven met ‘Didymus’), die ook Tweeling betekent.

al vier dagen in het graf lag: Toen Lazarus ernstig ziek werd, stelden zijn zussen Jezus daarvan op de hoogte (Jo 11:1-3). Jezus was op dat moment ongeveer twee dagreizen van Bethanië vandaan en Lazarus stierf blijkbaar rond het tijdstip dat het nieuws Jezus bereikte (Jo 10:40). Jezus ‘bleef nog twee dagen op de plaats waar hij was’ en vertrok daarna naar Bethanië (Jo 11:6, 7). Omdat hij twee dagen wachtte en vervolgens twee dagen over de reis deed, kwam hij dus vier dagen na Lazarus’ dood bij het graf aan. Jezus had al minstens twee personen uit de dood opgewekt: één vlak na zijn overlijden en de ander waarschijnlijk op de sterfdag zelf (Lu 7:11-17; 8:49-55; vergelijk Mt 11:5). Maar hij had nog niet iemand opgewekt die al vier dagen dood was en van wie het lichaam al tot ontbinding was overgegaan (Jo 11:39). Onder de Joden bestond het idee dat de ziel drie dagen bij het dode lichaam bleef en dan vertrok. Zelfs degenen die dat geloofden, zullen ervan overtuigd zijn geweest dat Jezus een groot wonder had gedaan door Lazarus tot leven te wekken (Jo 12:9, 10, 17).

graf: Of ‘herinneringsgraf’. (Zie Woordenlijst.)

ongeveer drie kilometer: Lett.: ‘ongeveer 15 stadie’. Het Griekse woord stadion duidt op een lengtemaat van 185 m, een achtste van een Romeinse mijl. (Zie App. B14.)

dat ik hen op de laatste dag uit de dood opwek: Jezus zegt vier keer dat hij mensen op de laatste dag uit de dood zal opwekken (Jo 6:40, 44, 54). In Jo 11:24 heeft ook Martha het over ‘de opstanding op de laatste dag’. (Vergelijk Da 12:13; zie aantekening bij Jo 11:24.) In Jo 12:48 wordt deze ‘laatste dag’ in verband gebracht met een tijd van oordeel, die kennelijk zal overeenkomen met de duizendjarige regering van Christus. Dan zal hij de mensheid oordelen, met inbegrip van iedereen die uit de dood wordt opgewekt (Opb 20:4-6).

Ik weet dat hij zal opstaan: Martha dacht dat Jezus het had over de opstanding in de toekomst, op de laatste dag. (Zie aantekening bij Jo 6:39.) Haar geloof in die leerstelling was opmerkelijk. Sommige religieuze leiders van die tijd, de sadduceeën, zeiden dat er geen opstanding zou komen, ook al wordt dat in de geïnspireerde Schrift duidelijk geleerd (Da 12:13; Mr 12:18). En de farizeeën geloofden in de onsterfelijkheid van de ziel. Maar Martha wist dat Jezus de opstandingshoop onderwees en zelfs mensen uit de dood had opgewekt, hoewel geen van hen zo lang dood was geweest als Lazarus nu was.

heeft leven in zichzelf: Of ‘heeft in zichzelf de gave van het leven’. Jezus heeft ‘leven in zichzelf’ omdat zijn Vader hem krachten heeft gegeven die Hij oorspronkelijk alleen zelf had. Een van die krachten is ongetwijfeld het gezag om mensen de kans te geven een goede reputatie bij God te krijgen en op die manier leven te krijgen. Een andere is het vermogen om leven te geven door doden op te wekken. Ongeveer een jaar nadat Jezus deze uitspraak deed, zei hij dat zijn volgelingen leven in zichzelf konden hebben. (Zie voor de betekenis van de uitdrukking ‘leven in jezelf’ in verband met Jezus’ volgelingen de aantekening bij Jo 6:53.)

Ik ben de opstanding en het leven: Jezus’ eigen dood en opstanding openden voor de doden de weg om tot leven terug te keren. Nadat Jezus was opgewekt, gaf Jehovah hem de macht om mensen niet alleen uit de dood op te wekken maar ook eeuwig leven te geven. (Zie aantekening bij Jo 5:26.) In Opb 1:18 noemt Jezus zichzelf ‘de levende’, die ‘de sleutels van de dood en van het Graf’ heeft. Daarom is Jezus de hoop van de levenden en de doden. Hij heeft beloofd de graven te openen en de doden leven te geven — in de hemel als zijn mederegeerders of op zijn nieuwe aarde onder het bestuur van zijn hemelse regering (Jo 5:28, 29).

zal helemaal nooit sterven: Toen Jezus het had over nooit sterven, oftewel eeuwig leven, bedoelde hij duidelijk niet dat de aanwezigen nooit de dood zouden ervaren. Jezus bedoelde dat geloof in hem tot eeuwig leven kon leiden. Die conclusie wordt ondersteund door wat Jezus eerder zei, in Johannes 6, waar hij geloven in verband brengt met eeuwig leven (Jo 6:39-44, 54).

graf: Of ‘herinneringsgraf’. (Zie Woordenlijst.)

liet zijn tranen de vrije loop: Het woord dat hier wordt gebruikt (dakruo) is de werkwoordsvorm van het Griekse zelfstandig naamwoord voor tranen dat onder andere wordt gebruikt in Lu 7:38; Han 20:19, 31; Heb 5:7; Opb 7:17 en 21:4. De focus lijkt meer te liggen op de tranen die vloeien dan op hoorbaar huilen. In de Griekse Geschriften wordt dit werkwoord alleen hier gebruikt, en het verschilt van het woord dat in Jo 11:33 (zie aantekening) het huilen van Maria en de Joden beschrijft. Jezus wist dat hij Lazarus uit de dood zou opwekken, maar hij vond het verschrikkelijk om te zien hoe verdrietig zijn geliefde vrienden waren. Uit diepe liefde voor zijn vrienden en uit medegevoel liet hij zijn tranen de vrije loop. Dit verslag maakt duidelijk dat Jezus medegevoel heeft met personen die een dierbare verliezen als gevolg van de adamitische dood.

huilen: Het Griekse woord voor huilen duidt vaak op hoorbaar huilen. Hetzelfde werkwoord wordt voor Jezus gebruikt bij de gelegenheid dat hij de verwoesting van Jeruzalem voorspelde (Lu 19:41).

zuchtte (...) raakte hem diep: De combinatie van de twee woorden die hier in de oorspronkelijke taal staan, geeft weer hoe intens Jezus’ emoties waren bij die gelegenheid. Het Griekse werkwoord dat is weergegeven met ‘zuchtte’ (embrimaomai), duidt over het algemeen op een sterk gevoel, en in deze context wijst het erop dat Jezus zo diep geroerd was dat hij zuchtte. Het Grieks voor ‘raakte diep’ (tarasso) duidt op opwinding. Volgens een geleerde betekent het in deze context ‘innerlijke beroering veroorzaken’, ‘veel verdriet of pijn opwekken’. Hetzelfde werkwoord wordt in Jo 13:21 gebruikt in de beschrijving van Jezus’ reactie als hij denkt aan het toekomstige verraad van Judas. (Zie aantekening bij Jo 11:35.)

in zichzelf: Lett.: ‘in de geest’. Het Griekse pneuma wordt hier blijkbaar gebruikt voor de aandrijvende kracht die van iemands figuurlijke hart uitgaat en hem ertoe aanzet dingen op een bepaalde manier te zeggen en te doen. (Zie Woordenlijst ‘Geest’.)

huilen: Het Griekse woord voor huilen duidt vaak op hoorbaar huilen. Hetzelfde werkwoord wordt voor Jezus gebruikt bij de gelegenheid dat hij de verwoesting van Jeruzalem voorspelde (Lu 19:41).

liet zijn tranen de vrije loop: Het woord dat hier wordt gebruikt (dakruo) is de werkwoordsvorm van het Griekse zelfstandig naamwoord voor tranen dat onder andere wordt gebruikt in Lu 7:38; Han 20:19, 31; Heb 5:7; Opb 7:17 en 21:4. De focus lijkt meer te liggen op de tranen die vloeien dan op hoorbaar huilen. In de Griekse Geschriften wordt dit werkwoord alleen hier gebruikt, en het verschilt van het woord dat in Jo 11:33 (zie aantekening) het huilen van Maria en de Joden beschrijft. Jezus wist dat hij Lazarus uit de dood zou opwekken, maar hij vond het verschrikkelijk om te zien hoe verdrietig zijn geliefde vrienden waren. Uit diepe liefde voor zijn vrienden en uit medegevoel liet hij zijn tranen de vrije loop. Dit verslag maakt duidelijk dat Jezus medegevoel heeft met personen die een dierbare verliezen als gevolg van de adamitische dood.

graf: Of ‘herinneringsgraf’. (Zie Woordenlijst.)

de stank: Uit Martha’s opmerking blijkt dat het bij de Joden niet gebruikelijk was lichamen uitgebreid te balsemen om ontbinding langdurig tegen te gaan. Als Lazarus’ lichaam gebalsemd was, zou ze niet verwacht hebben dat het zou stinken. Hij had windsels om zijn handen en voeten en er was ‘een doek om zijn gezicht gewikkeld’, maar waarschijnlijk was dat niet om ontbinding tegen te gaan (Jo 11:44).

Het is al de vierde dag: Lett.: ‘het is vierde’. In het Grieks staat alleen een rangtelwoord, maar ‘dag’ valt op te maken uit de context. Kennelijk waren er drie volle dagen en een deel van een vierde dag voorbijgegaan.

Lazarus: Waarschijnlijk de Griekse vorm van de Hebreeuwse naam Eleazar, die ‘God heeft geholpen’ betekent.

met een doek om zijn gezicht gewikkeld: Bij de Joden was het de gewoonte om een lichaam op de begrafenis voor te bereiden door het met specerijen in schone linnen doeken te wikkelen. Maar dat was iets heel anders dan het balsemen dat door de Egyptenaren werd gedaan (Ge 50:3; Mt 27:59; Mr 16:1; Jo 19:39, 40). Toen Lazarus na zijn opstanding uit het graf tevoorschijn kwam, was de doek nog om zijn gezicht gewikkeld. Het Griekse woord soudarion, dat hier met ‘doek’ is vertaald, duidt op een stuk stof dat werd gebruikt als zweetdoek, handdoek of zakdoek. Hetzelfde Griekse woord wordt in Jo 20:7 gebruikt voor ‘de doek die om Jezus’ hoofd had gezeten’.

onze plaats: Dat wil zeggen onze plaats van aanbidding of heilige plaats, waarschijnlijk de tempel in Jeruzalem. (Vergelijk Han 6:13, 14.)

hogepriester: Toen Israël een onafhankelijke natie was, bleef een hogepriester zijn leven lang in functie (Nu 35:25). Maar tijdens de Romeinse bezetting van Israël hadden de bestuurders van Rome het gezag om een hogepriester te benoemen of af te zetten. (Zie Woordenlijst.) Kajafas, benoemd door de Romeinen, was een handig diplomaat die zijn ambt langer behield dan al zijn directe voorgangers. Hij werd rond 18 n.Chr. benoemd en zijn ambtsperiode duurde tot omstreeks 36 n.Chr. Toen Johannes zei dat Kajafas dat jaar (d.w.z. 33 n.Chr.) hogepriester was, bedoelde hij blijkbaar dat Kajafas’ ambtsperiode het gedenkwaardige jaar omvatte waarin Jezus werd terechtgesteld. (Zie voor de mogelijke locatie van het huis van Kajafas App. B12.)

Efraïm: Algemeen wordt aangenomen dat dit dezelfde stad is als het Efraïn dat door koning Abia van Juda werd veroverd op koning Jerobeam van Israël (2Kr 13:19). Voor de locatie van deze stad denkt men doorgaans aan het huidige dorp et-Taiyiba (ook et-Taijibe gespeld), zo’n 6 km ten ONO van Bethel en 3 km ten OZO van de vermoedelijke locatie van Baäl-Hazor (2Sa 13:23). Het ligt dicht bij de woestijn en kijkt uit op de woestijnvlakte van Jericho en de Dode Zee in het ZO. Volgens de Joodse geschiedschrijver Josephus veroverde de Romeinse generaal Vespasianus Efraïm tijdens zijn veldtocht tegen Jeruzalem (De Joodse Oorlog, IV, 551).

het Pascha: Jezus begon met prediken na zijn doop in de herfst van 29, dus bij deze verwijzing naar een Pascha aan het begin van zijn bediening moet het gaan om het Pascha in de lente van het jaar 30. (Zie aantekening bij Lu 3:1 en App. A7.) Een vergelijking van de vier evangeliën wijst erop dat tijdens Jezus’ bediening op aarde vier keer het Pascha is gevierd, waaruit we kunnen opmaken dat zijn bediening drieënhalf jaar duurde. De synoptische evangeliën (Mattheüs, Markus en Lukas) vermelden alleen het laatste Pascha, toen Jezus stierf. Johannes vermeldt in zijn verslag specifiek drie paschafeesten (Jo 2:13; 6:4; 11:55), en naar een vierde wordt zeer waarschijnlijk in Jo 5:1 verwezen met de uitdrukking ‘een feest van de Joden’. Dit voorbeeld laat zien hoe het vergelijken van de evangeliën een vollediger beeld geeft van Jezus’ leven. (Zie aantekeningen bij Jo 5:1; 6:4 en 11:55.)

een feest van de Joden: Hoewel Johannes niet specifiek vermeldt welk feest het was, zijn er goede redenen voor de conclusie dat het gaat om het Pascha van het jaar 31. Johannes’ verslag heeft over het algemeen een chronologische volgorde. De context plaatst dit feest kort nadat Jezus had gezegd dat het ‘nog vier maanden’ duurde voordat de oogst kwam (Jo 4:35). Het oogstseizoen, in het bijzonder de gerstoogst, begon rond de tijd van het Pascha (14 nisan). Het lijkt er dus op dat Jezus’ woorden vier maanden daarvóór, rond de maand kislev (november/december), zijn uitgesproken. Twee andere feesten, het Inwijdingsfeest en het Poerim, vielen in de periode tussen kislev en nisan. Maar voor die feesten hoefden de Israëlieten niet naar Jeruzalem. In deze context lijkt het Pascha dus het meest waarschijnlijke ‘feest van de Joden’ waarvoor Jezus volgens Gods wet naar Jeruzalem zou moeten gaan (De 16:16). Het is waar dat Johannes maar een paar gebeurtenissen beschrijft voordat hij het volgende Pascha vermeldt (Jo 6:4), maar de tabel in App. A7 laat zien dat Johannes een verkort verslag van Jezus’ vroege bediening geeft en dat hij veel gebeurtenissen die al in de drie andere evangeliën staan niet vermeldt. De vele activiteiten van Jezus die in de drie andere evangeliën staan, ondersteunen de conclusie dat er inderdaad een jaarlijkse paschaviering zat tussen de gebeurtenissen in Jo 2:13 en die in Jo 6:4. (Zie App. A7 en aantekening bij Jo 2:13.)

het Pascha: Kennelijk het Pascha van 32, het derde Pascha tijdens Jezus’ bediening op aarde. (Zie aantekeningen bij Jo 2:13; 5:1; 11:55 en App. A7.)

het Pascha: Dat wil zeggen het Pascha van 33, blijkbaar het vierde Pascha dat in het evangelie van Johannes wordt vermeld. (Zie aantekeningen bij Jo 2:13; 5:1 en 6:4.)

Media

Sanhedrin
Sanhedrin

De Joodse Hoge Raad, ook het Grote Sanhedrin genoemd, telde 71 leden en zetelde in Jeruzalem. (Zie Woordenlijst.) Volgens de Misjna zaten de leden in drie rijen in een halve cirkel en waren er twee griffiers aanwezig om de beslissingen van het gerechtshof vast te leggen. Sommige architectonische kenmerken op de afbeelding zijn gebaseerd op overblijfselen in Jeruzalem van wat volgens sommigen de raadskamer uit de eerste eeuw was. (Zie Appendix B12, kaart ‘Jeruzalem en omgeving’.)

1. Hogepriester

2. Leden Sanhedrin

3. Gedaagde

4. Griffiers