Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar inhoudsopgave

Nieuwewereldvertaling van de Bijbel (studie-uitgave)

Overzicht van Johannes

  • A. Proloog: het Woord is vlees geworden en heeft bij mensen gewoond (1:1-18)

    • Het Woord was in het begin bij God en was een god (1:1, 2)

    • God gebruikte het Woord om alle andere dingen te scheppen (1:3a)

    • Leven en licht zijn via het Woord ontstaan (1:3b-5)

    • Johannes de Doper moest getuigen van het licht (1:6-8)

    • Het ware licht komt in de wereld maar wordt door velen afgewezen (1:9-11)

    • Wie het Woord in geloof aanvaarden worden Gods kinderen (1:12, 13)

    • Het Woord, vol gunst van God en vol waarheid, maakt duidelijk wie de Vader is, die geen mens heeft gezien (1:14-18)

  • B. Johannes de Doper getuigt over Jezus (1:19-34)

    • Johannes zegt dat hij niet de Christus is maar iemand die in de woestijn roept (1:19-28)

    • Johannes presenteert Jezus aan de mensheid als ‘het Lam van God’ (1:29-31)

    • Johannes getuigt over de geest die op Jezus neerdaalt en voorspelt doop met heilige geest (1:32-34)

  • C. Jezus’ eerste discipelen (1:35-51)

    • Johannes’ discipelen volgen Jezus; Andreas neemt zijn broer Petrus mee naar Jezus (1:35-42)

    • Filippus en Nathanaël worden discipelen van Jezus (1:43-51)

  • D. Jezus’ eerste wonderen, vanaf de periode rond het Pascha van 30 (2:1–3:36)

    • Jezus verandert water in wijn op een bruiloft in Kana in Galilea (2:1-12)

    • Jezus reinigt de tempel in Jeruzalem (2:13-17)

    • Jezus zegt tegen vijandige Joden dat hij de tempel in drie dagen zal opbouwen (2:18-22)

    • Velen geloven in Jezus vanwege zijn wonderen (2:23-25)

    • Jezus geeft Nikodemus uitleg over geboorte uit water en geest (3:1-13)

    • De Mensenzoon moet worden opgeheven zoals de slang in de woestijn (3:14, 15)

    • God heeft zijn eniggeboren Zoon niet gestuurd om de wereld te oordelen maar om de wereld te redden (3:16-21)

    • Johannes’ laatste getuigenis over Jezus (3:22-30)

    • Geloven in de Zoon, die van boven komt, betekent eeuwig leven (3:31-36)

  • E. Jezus gaat door Samaria heen naar Galilea (4:1-54)

    • Jezus komt vermoeid aan bij de Jakobsput in Sichar in Samaria (4:1-6)

    • Jezus begint een gesprek met een Samaritaanse vrouw (4:7-15)

    • Jezus onderwijst de Samaritaanse vrouw over ware aanbidding (4:16-24)

    • Jezus vertelt aan de Samaritaanse vrouw dat hij de Messias is (4:25, 26)

    • De Samaritaanse vrouw geeft getuigenis aan anderen (4:27-30)

    • Jezus vergelijkt doen van Gods wil met voedsel, praat over geestelijke oogst (4:31-38)

    • Veel Samaritanen geloven dat Jezus ‘de redder van de wereld’ is (4:39-42)

    • Jezus geneest de zoon van een hofbeambte in Kana in Galilea (4:43-54)

  • F. Jezus’ bediening vanaf de periode rond een Joods feest, waarschijnlijk het Pascha van 31 (5:1-47)

    • Jezus geneest op de sabbat een zieke bij het bassin Bethzatha (5:1-18)

    • Jezus spreekt over het gezag dat hij van zijn Vader kreeg (5:19-24)

    • Mensen die geestelijk dood zijn en naar Jezus’ stem luisteren, zullen leven (5:25-27)

    • Doden in herinneringsgraven krijgen een opstanding (5:28-30)

    • Johannes de Doper, Jezus’ werk, de Vader en de Schrift getuigen over Jezus (5:31-47)

  • G. Vanaf de periode rond het Pascha van 32 (6:1–7:1)

    • Jezus voedt zo’n 5000 mannen bij het Meer van Galilea (6:1-13)

    • Jezus trekt zich terug als de mensen hem koning willen maken (6:14, 15)

    • Jezus loopt over water (6:16-21)

    • Jezus spoort mensen aan te werken voor het voedsel dat goed blijft en eeuwig leven geeft (6:22-27)

    • Jezus is ‘het brood van het leven’ (6:28-59)

    • Veel discipelen nemen aanstoot aan Jezus’ woorden, maar Petrus erkent dat Jezus ‘de Heilige van God’ is (6:60–7:1)

  • H. Vanaf de periode rond het Loofhuttenfeest van 32 (7:2–9:41)

    • Jezus’ broers gaan naar het feest, Jezus gaat later in het geheim (7:2-13)

    • Jezus onderwijst tijdens het feest in de tempel (7:14-24)

    • Mensen hebben verschillende meningen over de Christus (7:25-52)

    • De Vader getuigt over Jezus, ‘het licht van de wereld’ (8:12-30)

    • Jezus’ ware discipelen zullen de waarheid kennen (8:31, 32)

    • Kinderen van Abraham doen wat Abraham deed (8:33-41)

    • Kinderen van de Duivel doen wat de Duivel wil (8:42-47)

    • Jezus en Abraham (8:48-59)

    • Jezus geneest een blindgeboren man (9:1-12)

    • Farizeeën ondervragen de genezen man (9:13-34)

    • Blinde farizeeën (9:35-41)

  • I. Vanaf de periode rond het Inwijdingsfeest van 32 tot 10 nisan 33 (10:1–12:50)

    • Illustratie van de herder en de schaapskooien (10:1-18)

    • Veel Joden willen niet geloven (10:19-26)

    • Jezus en zijn Vader eensgezind in de zorg voor hun schapen (10:27-30)

    • Joden proberen Jezus te grijpen (10:31-39)

    • Velen aan de overkant van de Jordaan gaan in Jezus geloven (10:40-42)

    • Dood van Lazarus (11:1-16)

    • Jezus troost Martha en Maria (11:17-37)

    • Jezus wekt Lazarus op (11:38-44)

    • Religieuze leiders smeden complot om Jezus te doden (11:45-57)

    • Maria giet olie over Jezus’ voeten (12:1-11)

    • Jezus’ intocht in Jeruzalem (12:12-19)

    • Jezus voorspelt dat hij binnenkort zal sterven (12:20-27)

    • Er komt een stem uit de hemel (12:28)

    • Ongeloof van de Joden vervult profetie (12:29-43)

    • Jezus is gekomen om de wereld te redden (12:44-50)

  • J. Jezus’ laatste Pascha en afscheidsraad voor zijn discipelen (13:1–17:26)

    • Jezus wast de voeten van zijn discipelen (13:1-20)

    • Jezus duidt Judas Iskariot aan als zijn verrader (13:21-30)

    • Jezus geeft een nieuw gebod (13:31-35)

    • Jezus voorspelt dat Petrus hem drie keer zal verloochenen (13:36-38)

    • Jezus is de enige weg tot de Vader (14:1-14)

    • Jezus belooft een helper, de heilige geest (14:15-31)

    • Illustratie van de ware wijnstok (15:1-10)

    • Gebod om christelijke liefde te tonen (15:11-17)

    • De wereld haat Jezus en zijn discipelen (15:18-27)

    • Jezus’ discipelen worden mogelijk gedood (16:1-4a)

    • Jezus zal de heilige geest sturen (16:4b-16)

    • Het verdriet van de discipelen zal in vreugde veranderen (16:17-24)

    • Jezus heeft de wereld overwonnen (16:25-33)

    • Jezus bidt voor zijn discipelen (17:1-26)

  • K. Jezus wordt verraden, gearresteerd, berecht en terechtgesteld (18:1–19:42)

    • Judas Iskariot verraadt Jezus (18:1-9)

    • Petrus slaat met een zwaard Malchus het oor af (18:10, 11)

    • Jezus wordt naar overpriester Annas gebracht (18:12-14)

    • Petrus’ eerste verloochening van Jezus (18:15-18)

    • Jezus vóór Annas (18:19-24)

    • Petrus’ tweede en derde verloochening van Jezus (18:25-27)

    • Jezus vóór Pilatus; de kwestie van het koningschap (18:28-40)

    • Jezus wordt gegeseld en bespot (19:1-7)

    • Pilatus wil Jezus vrijlaten maar geeft de Joden hun zin (19:8-16a)

    • Jezus wordt op Golgotha aan een paal gehangen (19:16b-22)

    • Soldaten vervullen de profetie over Jezus’ kleren (19:23, 24)

    • Jezus treft regelingen voor zijn moeder (19:25-27)

    • Jezus vervult een profetie en sterft (19:28-30)

    • Soldaten vervullen Schriftgedeelten over Jezus’ dood (19:31-37)

    • Jezus begraven (19:38-42)

  • L. Christus verschijnt na zijn opstanding (20:1–21:25)

    • Discipelen zien dat Jezus’ graf leeg is (20:1-10)

    • Twee engelen en Jezus verschijnen aan Maria Magdalena (20:11-18)

    • Jezus verschijnt aan zijn discipelen terwijl de deuren op slot zijn (20:19-23)

    • Thomas twijfelt maar is later overtuigd (20:24-29)

    • Johannes legt het doel van ‘deze boekrol’ uit (20:30, 31)

    • Jezus verschijnt in Galilea aan zijn discipelen (21:1-14)

    • Petrus bevestigt zijn liefde voor Jezus (21:15-19)

    • Jezus voorspelt toekomst van geliefde discipel (21:20-23)

    • Laatste opmerkingen over schrijver (21:24, 25)