Handelingen van apostelen 9:1-43

9  Maar Saulus ging nog steeds tekeer tegen de discipelen van de Heer+ en bedreigde ze met de dood. Hij ging naar de hogepriester  en vroeg hem om brieven voor de synagogen in Damaskus, zodat hij alle aanhangers van De Weg+ die hij aantrof — mannen en vrouwen — in boeien kon slaan en naar Jeruzalem kon brengen.  Terwijl hij onderweg was en in de buurt van Damaskus kwam, werd hij plotseling omgeven door een fel licht uit de hemel.+  Hij viel op de grond en hoorde een stem zeggen: ‘Saul, Saul, waarom vervolg je mij?’  Hij vroeg: ‘Heer, wie bent u?’ Het antwoord was: ‘Ik ben Jezus,+ die jij vervolgt.+  Maar sta op en ga de stad in. Daar zul je te horen krijgen wat je moet doen.’  De mannen die met hem meereisden, waren sprakeloos, want ze hoorden wel een stem maar zagen niemand.+  Saulus kwam overeind en hoewel zijn ogen open waren, zag hij niets. Ze namen hem dus bij de hand en brachten hem Damaskus binnen.  Drie dagen lang zag hij niets,+ en ook at en dronk hij niet. 10  In Damaskus was een discipel die Anani̱as heette.+ In een visioen zei de Heer tegen hem: ‘Anani̱as!’ Hij antwoordde: ‘Hier ben ik, Heer.’ 11  De Heer zei tegen hem: ‘Sta op en ga naar de Rechtestraat. Zoek in het huis van Judas naar Saulus, een man uit Ta̱rsus.+ Hij is aan het bidden 12  en hij heeft in een visioen gezien dat een man die Anani̱as heet, binnenkomt en zijn handen op hem legt zodat hij weer kan zien.’+ 13  Maar Anani̱as antwoordde: ‘Heer, ik heb van velen gehoord dat deze man uw heiligen in Jeruzalem veel kwaad heeft aangedaan. 14  En hij heeft toestemming van de overpriesters om hier iedereen die uw naam aanroept, te arresteren.’+ 15  Maar de Heer zei tegen hem: ‘Ga! Ik heb deze man uitgekozen als instrument*+ om mijn naam uit te dragen aan de heidenen*+ en ook aan koningen+ en de Israëlieten. 16  Want ik zal hem duidelijk laten zien hoeveel lijden hij voor mijn naam moet ondergaan.’+ 17  Anani̱as vertrok en ging het huis binnen. Hij legde zijn handen op hem en zei: ‘Saul, broeder, ik ben gestuurd door de Heer Jezus, die aan jou is verschenen op de weg hiernaartoe, zodat je weer kunt zien en vervuld wordt met heilige geest.’+ 18  Onmiddellijk viel er iets van zijn ogen wat op schubben leek, en hij kon weer zien. Hij stond op en werd gedoopt, 19  en hij at wat voedsel om op krachten te komen. Hij bleef een aantal dagen bij de discipelen in Damaskus,+ 20  en meteen ging hij in de synagogen prediken dat Jezus de Zoon van God is. 21  Iedereen die hem hoorde, was verbaasd. Ze zeiden: ‘Dat is toch de man die in Jeruzalem degenen die deze naam aanroepen hevig vervolgde?+ Is hij niet juist hiernaartoe gekomen om ze te arresteren en naar de overpriesters te brengen?’*+ 22  Maar Saulus’ optreden werd steeds krachtiger en hij bracht de Joden die in Damaskus woonden in verwarring, omdat hij op een logische manier aantoonde dat Jezus de Christus is.+ 23  Nadat er meerdere dagen verstreken waren, spanden de Joden samen om hem uit de weg te ruimen.+ 24  Ook werden de poorten dag en nacht scherp in de gaten gehouden om hem te kunnen doden. Maar Saulus hoorde van hun complot. 25  Zijn discipelen namen hem daarom mee en lieten hem ’s nachts door een opening in de stadsmuur in een mand naar beneden zakken.+ 26  Toen hij in Jeruzalem was aangekomen,+ probeerde hij zich bij de discipelen aan te sluiten. Maar die waren allemaal bang voor hem omdat ze niet geloofden dat hij een discipel was. 27  Barnabas+ kwam hem te hulp en bracht hem bij de apostelen. Hij vertelde hun uitgebreid dat Saulus onderweg de Heer had gezien+ en dat die tegen hem had gesproken, en dat Saulus in Damaskus vrijmoedig in de naam van Jezus had gesproken.+ 28  Saulus bleef bij hen terwijl hij overal in Jeruzalem met hen verscheen en vrijmoedig in de naam van de Heer sprak. 29  Hij praatte en discussieerde met de Griekssprekende Joden, maar die probeerden hem om het leven te brengen.+ 30  Toen de broeders daarachter kwamen, brachten ze hem naar Cesare̱a en stuurden hem vandaar naar Ta̱rsus.+ 31  Daarna brak er voor de gemeente in heel Judea, Galilea en Sama̱ria+ een periode van vrede en opbouw aan. De gemeente leefde* in ontzag voor Jehovah en in de troost van de heilige geest,+ en bleef in aantal toenemen. 32  Terwijl Petrus door het hele gebied trok, kwam hij ook bij de heiligen die in Lydda woonden.+ 33  Daar trof hij een man aan die Ene̱as heette en die al acht jaar op bed lag omdat hij verlamd was. 34  Petrus zei tegen hem: ‘Ene̱as, Jezus Christus geneest je.+ Sta op en maak je bed op.’+ En meteen ging hij staan. 35  Toen de inwoners van Lydda en van de Sa̱ronvlakte hem zagen, bekeerden ze zich tot de Heer. 36  In Joppe was een discipel die Tabi̱tha heette, wat Do̱rkas betekent. Ze deed veel goeds voor anderen en gaf vaak giften aan de armen.* 37  Maar in die periode werd ze ziek en stierf ze. Ze werd gewassen en in een bovenkamer gelegd. 38  Toen de discipelen hoorden dat Petrus in de stad Lydda was, die dicht bij Joppe ligt, stuurden ze twee mannen naar hem toe met het dringende verzoek: ‘Kom alsjeblieft zo snel mogelijk naar ons toe.’ 39  Petrus stond op en ging met ze mee. Bij zijn aankomst brachten ze hem naar de bovenkamer. Alle weduwen kwamen huilend naar hem toe en lieten hem de mantels en andere kledingstukken zien die Do̱rkas had gemaakt toen ze nog bij hen was. 40  Petrus stuurde iedereen naar buiten,+ knielde neer en ging in gebed. Daarna keerde hij zich naar het lichaam en zei: ‘Tabi̱tha, sta op!’ Ze deed haar ogen open, zag Petrus en ging rechtop zitten.+ 41  Hij pakte haar hand en hielp haar overeind. Daarna riep hij de heiligen en de weduwen en bracht haar levend bij hen.+ 42  Dat werd in heel Joppe bekend en veel mensen gingen in de Heer geloven.+ 43  Petrus bleef nog een hele tijd in Joppe bij een leerlooier die Simon heette.+

Voetnoten

Lett.: ‘een uitverkoren vat’.
Of ‘volken’. Zie Woordenlijst.
Lett.: ‘ze geboeid naar de overpriesters te brengen’.
Lett.: ‘wandelde’.
Of ‘gaven van barmhartigheid’. Zie Woordenlijst.

Aantekeningen

Saulus: Bet.: ‘gevraagd [van God]’. Saulus of Saul, ook bekend onder zijn Romeinse naam Paulus, kwam ‘uit de stam Benjamin’ en was dus ‘een geboren Hebreeër’ (Fil 3:5). Aangezien Saulus als Romeins burger geboren was (Han 22:28), is het logisch dat zijn Joodse ouders hem misschien de Romeinse naam Paulus hebben gegeven, die ‘klein’ betekent. Waarschijnlijk had hij al van kleins af aan beide namen. Zijn ouders kunnen hem om meerdere redenen Saulus hebben genoemd. Saul was een belangrijke traditionele naam onder de Benjaminieten omdat de eerste koning van heel Israël, een Benjaminiet, die naam had (1Sa 9:2; 10:1; Han 13:21). Of misschien hebben zijn ouders hem die naam gegeven vanwege de betekenis ervan. Nog een mogelijkheid is dat zijn vader Saul heette en dat hij naar zijn vader vernoemd was, zoals in die tijd gebruikelijk was. (Vergelijk Lu 1:59.) Wat de reden ook was, in het gezelschap van andere Joden — vooral toen hij voor farizeeër studeerde en als een van hen leefde — zal hij zijn Hebreeuwse naam, Saulus, hebben gebruikt (Han 22:3). En meer dan tien jaar nadat hij christen was geworden, stond hij blijkbaar nog steeds vooral onder zijn Hebreeuwse naam bekend (Han 11:25, 30; 12:25; 13:1, 2, 9).

Kajafas: Deze hogepriester, benoemd door de Romeinen, was een handig diplomaat die zijn ambt langer behield dan al zijn directe voorgangers. Hij werd rond 18 n.Chr. benoemd en zijn ambtsperiode duurde tot omstreeks 36 n.Chr. Hij was degene die Jezus ondervroeg en hem doorstuurde naar Pilatus (Mt 26:3, 57; Jo 11:49; 18:13, 14, 24, 28). Dit is de enige keer dat hij in het boek Handelingen bij naam wordt genoemd. Verder wordt hij in Handelingen ‘de hogepriester’ genoemd (Han 5:17, 21, 27; 7:1; 9:1).

Saulus: Zie aantekening bij Han 7:58.

de overpriester: Dat wil zeggen Kajafas. (Zie aantekening bij Han 4:6.)

de weg van Jehovah: In het volgende vers wordt de synonieme uitdrukking ‘de weg van God’ gebruikt. De christelijke leefwijze draait om de aanbidding van de enige ware God, Jehovah, en geloof in zijn Zoon, Jezus Christus. In Handelingen wordt deze manier van leven eenvoudig ‘De Weg’ of ‘deze Weg’ genoemd (Han 19:9, 23; 22:4; 24:22; zie aantekening bij Han 9:2). Bovendien komt de uitdrukking ‘de weg van Jehovah’ vier keer in de evangeliën voor als onderdeel van een citaat uit Jes 40:3. (Zie aantekeningen bij Mt 3:3, Mr 1:3, Lu 3:4 en Jo 1:23.) In Jes 40:3 staat in de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst het Tetragrammaton. De uitdrukking ‘de weg van Jehovah’ (of ‘Jehovah’s weg’) komt ook voor in Re 2:22 en Jer 5:4, 5. (Zie aantekening bij Han 19:23 en App. C.)

De Weg: Zoals uit de aantekening bij Han 9:2 blijkt, werd ‘De Weg’ in de eerste eeuw gebruikt als aanduiding voor de christelijke gemeente. Bij het ware christendom gaat het niet om de buitenkant of om formele aanbidding. Het is een manier van leven waarbij de aanbidding van God centraal staat en iemand zich laat leiden door Zijn geest (Jo 4:23, 24). In de Syrische Pesjitta staat ‘de weg van God’, de Latijnse Vulgaat (Clementina) zegt ‘de weg van de Heer’ en sommige vertalingen van de Griekse Geschriften in het Hebreeuws (in App. C4 J17, 18 genoemd) gebruiken hier Gods naam en zeggen: ‘Jehovah’s weg’.

brieven: In de eerste eeuw gingen mensen af op brieven uit een betrouwbare bron om de identiteit en het gezag te controleren van een vreemdeling die nieuw in hun stad was (Ro 16:1; 2Kor 3:1-3). Joden in Rome hadden het over dit soort communicatie (Han 28:21). Saulus vroeg de hogepriester om brieven die gericht waren aan de synagogen in Damaskus en die hem het gezag gaven om de Joodse christenen in die stad te vervolgen (Han 9:1, 2). In de brieven waar Paulus om vroeg werd kennelijk aan de synagogen in Damaskus gevraagd met Saulus samen te werken bij zijn campagne tegen de christenen.

Damaskus: Damaskus ligt in het huidige Syrië en is naar verluidt een van de oudste steden ter wereld die sinds de stichting ervan voortdurend bewoond zijn geweest. Misschien is de patriarch Abraham toen hij in zuidelijke richting naar Kanaän reisde, door of langs deze stad gekomen. Op een bepaald moment stelde hij Eliëzer, ‘een man uit Damaskus’, aan als bediende in zijn huishouden (Ge 15:2). Bijna duizend jaar later komt Damaskus opnieuw in het Bijbelverslag voor. (Zie Woordenlijst ‘Aram, Arameeërs’.) Op dat moment waren de Syriërs (Arameeërs) in oorlog met Israël, en de twee volken werden vijanden van elkaar (1Kon 11:23-25). In de eerste eeuw maakte Damaskus deel uit van de Romeinse provincie Syrië. Tegen die tijd had Damaskus misschien wel 20.000 Joodse inwoners en een aantal synagogen. Misschien had Saulus het gemunt op de christenen in Damaskus omdat de stad op een kruising van belangrijke handelsroutes lag en hij bang was dat de christelijke leer zich vanuit die stad snel zou verspreiden.

De Weg: Een aanduiding die in Handelingen wordt gebruikt voor de christelijke levenswijze en voor de christelijke gemeente in de eerste eeuw. Misschien is de aanduiding gebaseerd op Jezus’ uitspraak in Jo 14:6: ‘Ik ben de weg.’ Over de volgelingen van Jezus werd gezegd dat ze hoorden bij ‘De Weg’, dat wil zeggen dat ze in hun manier van leven Jezus’ voorbeeld volgden (Han 19:9). Zijn leven draaide om de aanbidding van de enige ware God, Jehovah. Bij christenen was deze levenswijze ook gericht op geloof in Jezus Christus. Ergens na het jaar 44 werden de discipelen van Jezus in Syrisch Antiochië ‘door Gods voorzienigheid voor het eerst christenen genoemd’ (Han 11:26). Maar zelfs daarna sprak Lukas nog steeds over de gemeente als ‘De Weg’ of ‘deze Weg’ (Han 19:23; 22:4; 24:22; zie aantekeningen bij Han 18:25 en 19:23).

hoorden niet de stem: Of ‘begrepen niet de stem’. In Han 9:3-9 beschrijft Lukas wat Paulus onderweg naar Damaskus overkwam. Deze verslagen geven samen een volledig beeld van wat er gebeurde. Zoals in de aantekening bij Han 9:7 wordt uitgelegd, hoorden de mannen die bij Paulus waren een stem, maar konden ze blijkbaar niet begrijpen wat er gezegd werd. Ze hoorden de stem dus niet op dezelfde manier als Paulus. Dat komt overeen met hoe het Griekse woord voor horen in Han 22:7 wordt gebruikt, waar Paulus uitlegt dat hij ‘een stem hoorde’, wat betekent dat hij hoorde en begreep wat er gezegd werd. In tegenstelling daarmee begrepen Paulus’ reisgenoten niet welke boodschap aan Paulus werd overgebracht, misschien omdat de stem op de een of andere manier gedempt of vervormd klonk. Blijkbaar was het in die betekenis dat ze ‘de stem niet hoorden’. (Vergelijk Mr 4:33 en 1Kor 14:2, waar hetzelfde Griekse woord voor horen kan worden vertaald met ‘begrijpen’ of ‘verstaan’.)

hoorden wel een stem: In Han 22:6-11 vertelt Paulus wat hem onderweg naar Damaskus overkwam. In combinatie met dit hoofdstuk geeft dat verslag een volledig beeld van wat er gebeurde. In beide verslagen worden dezelfde Griekse woorden gebruikt, maar de grammatica verschilt. Het Griekse fone kan zowel met ‘geluid’ als met ‘stem’ worden vertaald. Hier staat het in de tweede naamval en wordt het vertaald met ‘hoorden een stem’. (In Han 22:9 staat hetzelfde Griekse woord in de vierde naamval en is het vertaald met ‘stem’.) De mannen die bij Paulus waren hoorden dus wel een stem maar konden blijkbaar niet horen en begrijpen wat er gezegd werd. Ze hoorden de stem dus niet op dezelfde manier als Paulus (Han 26:14; zie aantekening bij Han 22:9).

de Rechtestraat: Dit is de enige straat die in de Griekse Geschriften bij naam wordt genoemd. Men denkt dat het de hoofdverkeersweg was die van O naar W door Damaskus liep, dat in de eerste eeuw haaks op elkaar staande wegen had. De straat was zo’n 1,5 km lang en 26 m breed, met inbegrip van voetpaden, en misschien stonden er ook aan beide zijden pilaren. Door de resten van de oude Romeinse stad loopt nog steeds een hoofdstraat die de route van de oude Romeinse Via Recta (Rechtestraat) volgt.

in een visioen: Deze woorden staan in meerdere oude manuscripten.

te arresteren: Of ‘gevangen te zetten’. Lett.: ‘in boeien te slaan’, dat wil zeggen gevangenisboeien. (Vergelijk Kol 4:3.)

de Israëlieten: Of ‘het volk Israël’. Lett.: ‘de zonen van Israël’. (Zie Woordenlijst ‘Israël’.)

grote manden: Of ‘proviandmanden’. Het Griekse sfuris dat hier gebruikt wordt, duidt blijkbaar op een soort mand die groter is dan de manden die werden genoemd toen Jezus eerder zo’n 5000 mannen te eten gaf. (Zie aantekening bij Mt 14:20.) Hetzelfde Griekse woord wordt gebruikt voor de ‘mand’ waarin ze Paulus door een opening in de stadsmuur van Damaskus naar beneden lieten zakken (Han 9:25).

een mand: Lukas gebruikt hier het Griekse woord sfuris, dat ook in het evangelie van Mattheüs en Markus wordt gebruikt voor de zeven manden waarmee de restanten werden opgehaald nadat Jezus 4000 mannen gevoed had. (Zie aantekening bij Mt 15:37.) Dit woord duidt op een grote mand. Toen Paulus de Korinthische christenen over zijn ontsnapping vertelde, gebruikte hij het Griekse woord sargane, dat slaat op een gevlochten of tenen mand, gemaakt van touw of twijgen. Beide Griekse woorden kunnen gebruikt worden voor hetzelfde soort grote mand (2Kor 11:32, 33, vtn.).

onder ons was: Lett.: ‘onder ons in- en uitging’, een weergave van een Semitisch idioom dat duidt op het verrichten van dagelijkse activiteiten samen met anderen. Het kan ook worden vertaald met ‘onder ons leefde’. (Vergelijk De 28:6, 19; Ps 121:8, vtn.)

overal (...) met hen verscheen: Of ‘zijn dagelijks leven leidde’. Lett.: ‘in- en uitging’. Deze uitdrukking is een weergave van een Semitisch idioom dat het idee overbrengt van zich ongehinderd bezighouden met dagelijkse activiteiten of omgang met anderen. (Vergelijk De 28:6, 19; Ps 121:8, vtn.; zie aantekening bij Han 1:21.)

de Griekssprekende Joden: Lett.: ‘de hellenisten’. Het Griekse woord Hellenistes komt niet in Griekse of hellenistische Joodse literatuur voor, maar de context ondersteunt de weergave ‘Griekssprekende Joden’, net als veel lexicons. In die tijd waren alle christelijke Joden in Jeruzalem, ook degenen die Grieks spraken, van Joodse afkomst of ze waren Joodse proselieten (Han 10:28, 35, 44-48). Het woord dat met ‘Griekssprekende Joden’ is vertaald, wordt gebruikt in contrast met een woord dat met ‘Hebreeuwssprekende Joden’ is vertaald (lett.: ‘Hebreeën’, meervoudsvorm van het Griekse Ebraios). ‘De hellenisten’ waren dus Joden die Grieks met elkaar spraken en die naar Jeruzalem waren gekomen vanuit verschillende delen van het Romeinse Rijk, zoals misschien de Dekapolis. In contrast daarmee kwamen de meeste Hebreeuwssprekende Joden waarschijnlijk uit Judea en Galilea. Deze twee groepen Joodse christenen hadden waarschijnlijk een iets andere culturele achtergrond. (Zie aantekening bij Han 9:29.)

de Griekssprekende Joden: Lett.: ‘de hellenisten’. Waarschijnlijk waren dit Joden die Grieks met elkaar spraken in plaats van Hebreeuws. Deze Joden waren waarschijnlijk naar Jeruzalem gekomen vanuit verschillende delen van het Romeinse Rijk. In Han 6:1 wordt de term voor christenen gebruikt, maar de context hier in Han 9:29 laat zien dat deze Griekssprekende Joden geen discipelen van Christus waren. Op de Ofel, een heuvel in Jeruzalem, is de Theodotusinscriptie gevonden, die aantoont dat er veel Griekssprekende Joden naar Jeruzalem kwamen. (Zie aantekening bij Han 6:1.)

ontzag voor Jehovah: De uitdrukking ‘ontzag voor Jehovah’ komt vaak in de Hebreeuwse Geschriften voor als een combinatie van een Hebreeuws woord voor ontzag en het Tetragrammaton. (Een aantal voorbeelden: 2Kr 19:7, 9; Ps 19:9; 111:10; Sp 2:5; 8:13; 9:10; 10:27; 19:23; Jes 11:2, 3.) Maar de uitdrukking ‘ontzag voor de Heer’ komt niet in de tekst van de Hebreeuwse Geschriften voor. De redenen waarom de Nieuwewereldvertaling in de hoofdtekst de uitdrukking ‘ontzag voor Jehovah’ gebruikt terwijl in de meeste Griekse manuscripten van Han 9:31 ‘ontzag voor de Heer’ staat, zijn te vinden in App. C.

Tabitha: De Aramese naam Tabitha betekent ‘gazelle’ en komt kennelijk overeen met een Hebreeuws woord (tsevijah) dat ‘vrouwtjesgazelle’ betekent (Hgl 4:5; 7:3). De Griekse naam Dorkas betekent ook ‘gazelle’. In een zeehaven zoals Joppe, met een gemengde bevolking van Joden en heidenen, kan Tabitha onder beide namen bekend hebben gestaan, afhankelijk van de taal die gesproken werd. Maar het kan ook zijn dat Lukas de naam heeft vertaald voor niet-Joodse lezers.

mantels: Of ‘bovenkleren’. Het Griekse woord himation duidde kennelijk op een losse mantel of jas, maar vaak was het eenvoudig een rechthoekige lap stof.

Tabitha, sta op!: Petrus volgde ongeveer dezelfde procedure die Jezus had gebruikt toen hij de dochter van Jaïrus opwekte (Mr 5:38-42; Lu 8:51-55). Dit is de eerste opgetekende opstanding die door een apostel gedaan werd. Het resultaat was dat in de omgeving van Joppe velen gingen geloven (Han 9:39-42).

Simon, een leerlooier: Leerlooiers werkten met dierenhuiden en verwijderden de vacht en alle restanten van vlees en vet met een kalkoplossing. Daarna behandelden ze de huid met een krachtige looistof, zodat de huid tot leren artikelen verwerkt kon worden. Bij het looiproces kwam een heel onaangename geur vrij en er was veel water voor nodig, wat kan verklaren waarom Simon aan de zee woonde, waarschijnlijk aan de rand van Joppe. Volgens de wet van Mozes was iemand die met karkassen van dieren werkte ceremonieel onrein (Le 5:2; 11:39). Veel Joden keken dan ook neer op leerlooiers en zullen niet graag bij zo iemand gelogeerd hebben. De Talmoed zei later zelfs dat het beroep van leerlooier nog minderwaardiger was dan dat van iemand die mest verzamelde. Maar Petrus liet zich er niet door vooroordeel van weerhouden bij Simon te logeren. Petrus’ ruimdenkendheid is interessant als we denken aan de toewijzing die hij hierna kreeg: naar het huis van een heiden gaan. Sommige geleerden denken dat het Griekse woord voor leerlooier (burseus) Simons bijnaam was.

een leerlooier die Simon heette: Zie aantekening bij Han 10:6.

Media

Saulus en Damaskus
Saulus en Damaskus

In de eerste eeuw was de indeling van de stad Damaskus waarschijnlijk ongeveer zoals die op de plattegrond hier te zien is. Damaskus was een belangrijk handelscentrum en dankzij het water uit de nabijgelegen rivier de Barada (de Abana in 2Kon 5:12) was de omgeving van de stad te vergelijken met een oase. In Damaskus waren meerdere synagogen. Saulus kwam naar die stad met de bedoeling ‘alle aanhangers van De Weg die hij aantrof’ te arresteren — een uitdrukking die gebruikt werd voor de volgelingen van Jezus (Han 9:2; 19:9, 23; 22:4; 24:22). Maar terwijl Saulus onderweg was naar Damaskus, verscheen de verheerlijkte Jezus aan hem. Daarna bleef Saulus een tijdlang in Damaskus in het huis van Judas, een man die in de Rechtestraat woonde (Han 9:11). In een visioen gaf Jezus de discipel Ananias opdracht naar het huis van Judas te gaan om Saulus’ gezichtsvermogen te herstellen, en later werd Saulus gedoopt. In plaats van de Joodse christenen te vervolgen, sloot Saulus zich dus bij hen aan. Hij begon zijn leven als evangelieprediker in de synagogen van Damaskus. Nadat hij naar Arabië en toen terug naar Damaskus was gereisd, ging Saulus weer naar Jeruzalem, waarschijnlijk rond het jaar 36 (Han 9:1-6, 19-22; Ga 1:16, 17).

A. Damaskus

1. Weg naar Jeruzalem

2. Rechtestraat

3. Agora

4. Tempel van Jupiter

5. Theater

6. Muziektheater (?)

B. Jeruzalem

Romeinse weg in Tarsus
Romeinse weg in Tarsus

Tarsus, de geboorteplaats van Saulus (de latere apostel Paulus), was de hoofdstad van de provincie Cilicië in het zuidoosten van Klein-Azië, een gebied dat nu deel uitmaakt van Turkije (Han 9:11; 22:3). Het was een grote, welvarende handelsstad, strategisch gelegen aan een belangrijke handelsroute die van oost naar west liep door het Taurusgebergte en de Cilicische Poort (een nauwe kloof met een weg die in de rotsen was uitgehakt). De stad had ook een haven die de rivier de Cydnus verbond met de Middellandse Zee. Tarsus was een centrum van de Griekse cultuur en had een vrij grote Joodse gemeenschap. Op de foto staan restanten die nog te zien zijn in de hedendaagse nederzetting met dezelfde naam, zo’n 16 km van de plaats waar de Cydnus uitmondt in de Middellandse Zee. In de loop van de geschiedenis hebben een aantal bekende personen de stad bezocht, onder wie Marcus Antonius, Cleopatra, Julius Caesar en diverse keizers. De Romeinse staatsman en schrijver Cicero was van 51 tot 50 v.Chr. gouverneur van de stad. Tarsus was in de eerste eeuw beroemd als centrum van wetenschap en volgens de Griekse geograaf Strabo overtrof het in dat opzicht zelfs Athene en Alexandrië. Paulus noemde Tarsus dan ook terecht ‘een niet onbelangrijke stad’ (Han 21:39).

Bouw van een Romeinse weg
Bouw van een Romeinse weg

Het uitgestrekte Romeinse wegenstelsel was voor de eerste christenen een hulp om het goede nieuws door het hele Romeinse Rijk te verspreiden. Paulus heeft ongetwijfeld heel wat kilometers over deze wegen afgelegd (Kol 1:23). Op deze schematische tekening is te zien hoe geplaveide Romeinse wegen gebouwd werden. Eerst werd de weg afgebakend. Vervolgens groeven de bouwers een greppel voor de weg, waarin ze een fundering legden van lagen stenen, cement en zand. Daarna plaveiden ze de weg met platte kasseien en legden ze kantstenen die ervoor zorgden dat het plaveisel niet verzakte. De gebruikte materialen en de ronding van het wegdek zorgden voor een goede afwatering. Ook zaten er in de kantstenen afvoeropeningen zodat het water in de greppels aan weerszijden van de weg afgevoerd werd. De bouwers hebben hun werk zo goed gedaan dat sommige van die wegen er nog steeds zijn. Maar de meeste wegen in het Romeinse Rijk waren eenvoudiger. Vaak waren ze gewoon gemaakt van samengedrukt grind.

Theodotusinscriptie voor Griekssprekende Joden
Theodotusinscriptie voor Griekssprekende Joden

De tekst op deze kalkstenen plaat van 72 bij 42 cm staat bekend als de Theodotusinscriptie. Die is aan het begin van de 20ste eeuw gevonden op de Ofel, een heuvel in Jeruzalem. In de Griekse tekst wordt verwezen naar Theodotus, een priester die ‘de synagoge heeft gebouwd voor het lezen van de wet en het onderwijs van de geboden’. De inscriptie wordt gedateerd op de periode vóór de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 en bevestigt dat er in de eerste eeuw Griekssprekende Joden in Jeruzalem waren (Han 6:1). Sommigen denken dat deze synagoge ‘de zogenoemde Synagoge van de Vrijgelatenen’ was (Han 6:9). In de inscriptie wordt ook vermeld dat Theodotus, en ook zijn vader en grootvader, de titel archisunagogos (synagogebestuurder) hadden, een titel die meerdere keren in de Griekse Geschriften voorkomt (Mr 5:35; Lu 8:49; Han 13:15; 18:8, 17). De inscriptie zegt ook dat Theodotus een onderkomen bouwde voor personen die uit het buitenland op bezoek kwamen. Het onderkomen dat in de inscriptie wordt vermeld, zal waarschijnlijk gebruikt zijn door Joden die Jeruzalem bezochten, vooral degenen die voor de jaarlijkse feesten kwamen (Han 2:5).

Joppe
Joppe

In deze video zie je de zeehaven van het huidige Joppe. Die ligt aan de Middellandse Zee, ongeveer halverwege tussen de Karmel en Gaza. Het huidige Jaffa is in 1950 samengegaan met Tel-Aviv. Op de plek van de oude stad ligt nu Tel Aviv-Jaffa. Joppe lag op een rotsachtige heuvel van zo’n 35 m hoog, en de haven wordt gevormd door een laag rif dat ongeveer 100 m voor de kust ligt. De Tyriërs stuurden vlotten met timmerhout uit de wouden van de Libanon naar Joppe voor de bouw van de tempel van Salomo (2Kr 2:16). Later ging de profeet Jona, die zijn toewijzing wilde ontvluchten, in Joppe aan boord van een schip met Tarsis als bestemming (Jon 1:3). In de eerste eeuw was er een christelijke gemeente in Joppe. Een van de leden van die gemeente was Dorkas (Tabitha), die door Petrus uit de dood werd opgewekt (Han 9:36-42). En in Joppe kreeg Petrus terwijl hij bij de leerlooier Simon logeerde het visioen dat hem erop voorbereidde tot de heiden Cornelius te prediken (Han 9:43; 10:6, 9-17).

Bovenkamer
Bovenkamer

Sommige huizen in Israël hadden een bovenverdieping. Die ruimte kon bereikt worden via een ladder of houten trap in het huis of via een ladder of stenen trap aan de buitenkant. In een grote bovenkamer, mogelijk zoals die op de afbeelding, vierde Jezus met zijn discipelen het laatste Pascha en stelde hij de herdenking in van het Avondmaal van de Heer (Lu 22:12, 19, 20). Met Pinksteren 33 waren zo’n 120 discipelen kennelijk in een bovenkamer van een huis in Jeruzalem toen Gods geest op hen werd uitgestort (Han 1:15; 2:1-4).