Handelingen van apostelen 6:1-15

6  Terwijl het aantal discipelen toenam, begonnen de Griekssprekende Joden op een bepaald moment te klagen tegen de Hebreeuwssprekende Joden, omdat hun weduwen bij de dagelijkse voedselverdeling werden achtergesteld.+  Daarom riepen de twaalf alle discipelen bij elkaar en zeiden: ‘Het zou niet goed zijn als wij het woord van God zouden verwaarlozen om voedsel over tafels te verdelen.+  Broeders, kies daarom zelf uit jullie midden zeven mannen met een goede reputatie,+ vol geest en wijsheid.+ Dan kunnen we die aanstellen om deze noodzakelijke taak uit te voeren.+  Maar wij zullen ons bezighouden met bidden en het onderwijzen van het woord.’+  Iedereen was het daarmee eens, en ze kozen Ste̱fanus, een man vol geloof en heilige geest,+ en ook Fili̱ppus,+ Pro̱chorus, Nika̱nor, Ti̱mon, Pa̱rmenas en Nikola̱üs, een proseliet uit Antiochi̱ë.  Ze brachten hen naar de apostelen, die in gebed gingen en hun daarna de handen oplegden.+  Zo bleef het woord van God zich verspreiden,+ en het aantal discipelen in Jeruzalem bleef sterk toenemen.+ Ook een grote groep priesters aanvaardde het geloof.*+  Ste̱fanus, die Gods gunst en kracht had, deed grote wonderen en tekenen onder het volk.  Maar enkele leden van de zogenoemde Synagoge van de Vrijgelatenen, en ook enkele Cyreneeërs, Alexandrijnen en personen uit Cili̱cië en A̱sia, gingen naar Ste̱fanus toe om met hem in discussie te gaan. 10  Ze konden echter niet op tegen de wijsheid en de geest waarmee hij sprak.+ 11  Toen haalden ze in het geheim mannen over om te zeggen: ‘We hebben hem Mozes en God horen lasteren.’+ 12  Ook stookten ze het volk, de oudsten en de schriftgeleerden op. Plotseling overvielen ze hem, grepen hem met geweld en namen hem mee naar het Sanhedrin. 13  En ze lieten valse getuigen komen, die zeiden: ‘Deze man blijft maar tegen deze heilige plaats en tegen de wet spreken.+ 14  We hebben hem bijvoorbeeld horen zeggen dat die Jezus de Nazarener deze plaats zal afbreken+ en de gebruiken zal veranderen die door Mozes aan ons zijn overgeleverd.’ 15  Alle leden van het Sanhedrin staarden hem aan en ze zagen dat zijn gezicht was als dat van een engel.

Voetnoten

Lett.: ‘werd het geloof gehoorzaam’.

Aantekeningen

de Griekssprekende Joden: Lett.: ‘de hellenisten’. Waarschijnlijk waren dit Joden die Grieks met elkaar spraken in plaats van Hebreeuws. Deze Joden waren waarschijnlijk naar Jeruzalem gekomen vanuit verschillende delen van het Romeinse Rijk. In Han 6:1 wordt de term voor christenen gebruikt, maar de context hier in Han 9:29 laat zien dat deze Griekssprekende Joden geen discipelen van Christus waren. Op de Ofel, een heuvel in Jeruzalem, is de Theodotusinscriptie gevonden, die aantoont dat er veel Griekssprekende Joden naar Jeruzalem kwamen. (Zie aantekening bij Han 6:1.)

Hebreeuws: In de Griekse Geschriften gebruikten de Bijbelschrijvers onder inspiratie het woord Hebreeuws voor de taal van de Joden (Jo 19:13, 17, 20; Han 21:40; 22:2; Opb 9:11; 16:16) en ook voor de taal waarin de uit de dood opgewekte en verheerlijkte Jezus Saulus van Tarsus aansprak (Han 26:14, 15). In Han 6:1 wordt onderscheid gemaakt tussen ‘Hebreeuwssprekende Joden’ en ‘Griekssprekende Joden’. Sommige geleerden zijn van mening dat ‘Hebreeuws’ in deze gevallen zou moeten worden vervangen door ‘Aramees’, maar er zijn goede redenen om te geloven dat het hier echt om de Hebreeuwse taal gaat. De arts Lukas vermeldt dat Paulus de inwoners van Jeruzalem ‘in het Hebreeuws’ toesprak. Paulus sprak toen mensen toe van wie het leven draaide om het bestuderen van de wet van Mozes in het Hebreeuws. Daarnaast is het grootste deel van de fragmenten en manuscripten van de Dode Zeerollen in het Hebreeuws geschreven (zowel Bijbelse als niet-Bijbelse teksten), wat laat zien dat de taal nog dagelijks werd gebruikt. Dat er ook enkele Aramese fragmenten waren, toont aan dat beide talen werden gebruikt. Het lijkt dus heel onwaarschijnlijk dat Bijbelschrijvers die het woord Hebreeuws gebruikten eigenlijk de Aramese of Syrische taal bedoelden (Han 21:40; 22:2; vergelijk Han 26:14). In de Hebreeuwse Geschriften werd onderscheid gemaakt tussen het ‘Aramees’ en ‘de taal van de Joden’ (2Kon 18:26), en de eerste-eeuwse Joodse geschiedschrijver Josephus vermeldt het ‘Syrisch’ (of Aramees) en het ‘Hebreeuws’ als afzonderlijke talen (De Oude Geschiedenis van de Joden, X, 8). Het is waar dat sommige woorden uit het Aramees zijn overgenomen in het Hebreeuws, woorden die in het Aramees en het Hebreeuws veel op elkaar lijken en misschien nog andere woorden. Maar er lijkt geen reden te zijn om aan te nemen dat de schrijvers van de Griekse Geschriften Hebreeuws zeiden als ze Aramees bedoelden.

om voedsel (...) te verdelen: Of ‘om te dienen’. Het Griekse woord diakoneo wordt hier voor een aspect van de dienst gebruikt dat het voorzien in de materiële behoeften van arme maar voorbeeldige gelovigen in de gemeente omvat. (Zie aantekening bij Han 6:1, waar het verwante zelfstandig naamwoord diakonia wordt weergegeven met ‘voedselverdeling’; zie ook aantekening bij Lu 8:3.)

om hen van dienst te zijn: Of ‘om hen te ondersteunen’, ‘om voor hen te zorgen’. Het Griekse woord diakoneo kan slaan op het voorzien in de fysieke behoeften van anderen door eten te kopen, klaar te maken, te serveren, enzovoorts. De term wordt in een vergelijkbare betekenis gebruikt in Lu 10:40 (‘voor alles zorgen’), Lu 12:37 en Lu 17:8 (‘bedienen’), en Han 6:2 (‘voedsel verdelen’), maar kan ook slaan op alle andere vergelijkbare persoonlijke diensten. Hier wordt beschreven hoe de vrouwen die in vers 2 en 3 genoemd worden Jezus en zijn discipelen ondersteunden, zodat die de taak konden uitvoeren die ze van God gekregen hadden. Op die manier eerden de vrouwen God, die zijn waardering daarvoor toonde door in de Bijbel een verslag over hun vrijgevigheid te laten optekenen voor alle toekomstige generaties (Sp 19:17; Heb 6:10). Dezelfde Griekse term wordt voor vrouwen gebruikt in Mt 27:55 en Mr 15:41. (Zie aantekening bij Lu 22:26, waar het verwante zelfstandig naamwoord diakonos wordt behandeld.)

de Griekssprekende Joden: Lett.: ‘de hellenisten’. Het Griekse woord Hellenistes komt niet in Griekse of hellenistische Joodse literatuur voor, maar de context ondersteunt de weergave ‘Griekssprekende Joden’, net als veel lexicons. In die tijd waren alle christelijke Joden in Jeruzalem, ook degenen die Grieks spraken, van Joodse afkomst of ze waren Joodse proselieten (Han 10:28, 35, 44-48). Het woord dat met ‘Griekssprekende Joden’ is vertaald, wordt gebruikt in contrast met een woord dat met ‘Hebreeuwssprekende Joden’ is vertaald (lett.: ‘Hebreeën’, meervoudsvorm van het Griekse Ebraios). ‘De hellenisten’ waren dus Joden die Grieks met elkaar spraken en die naar Jeruzalem waren gekomen vanuit verschillende delen van het Romeinse Rijk, zoals misschien de Dekapolis. In contrast daarmee kwamen de meeste Hebreeuwssprekende Joden waarschijnlijk uit Judea en Galilea. Deze twee groepen Joodse christenen hadden waarschijnlijk een iets andere culturele achtergrond. (Zie aantekening bij Han 9:29.)

de Hebreeuwssprekende Joden: Lett.: ‘de Hebreeën’. Het Griekse Ebraios (enkelvoud) slaat over het algemeen op een Israëliet, een Hebreeër (2Kor 11:22; Fil 3:5). Maar in deze context wordt het woord gebruikt voor Hebreeuwssprekende Joodse christenen in contrast met Griekssprekende Joodse christenen. (Zie aantekening bij de Griekssprekende Joden in dit vers en aantekening bij Jo 5:2.)

bij de dagelijkse voedselverdeling: Of ‘bij de dagelijkse dienst’. Het Griekse woord diakonia, dat vaak wordt vertaald met ‘dienst’, wordt hier voor een aspect van de dienst gebruikt dat het voorzien in de materiële behoeften van arme broeders en zusters in de gemeente omvat. (Zie aantekening bij Han 6:2, waar het verwante werkwoord diakoneo wordt weergegeven met ‘voedsel verdelen’; zie ook aantekening bij Lu 8:3.)

bij de dagelijkse voedselverdeling: Of ‘bij de dagelijkse dienst’. Het Griekse woord diakonia, dat vaak wordt vertaald met ‘dienst’, wordt hier voor een aspect van de dienst gebruikt dat het voorzien in de materiële behoeften van arme broeders en zusters in de gemeente omvat. (Zie aantekening bij Han 6:2, waar het verwante werkwoord diakoneo wordt weergegeven met ‘voedsel verdelen’; zie ook aantekening bij Lu 8:3.)

om hen van dienst te zijn: Of ‘om hen te ondersteunen’, ‘om voor hen te zorgen’. Het Griekse woord diakoneo kan slaan op het voorzien in de fysieke behoeften van anderen door eten te kopen, klaar te maken, te serveren, enzovoorts. De term wordt in een vergelijkbare betekenis gebruikt in Lu 10:40 (‘voor alles zorgen’), Lu 12:37 en Lu 17:8 (‘bedienen’), en Han 6:2 (‘voedsel verdelen’), maar kan ook slaan op alle andere vergelijkbare persoonlijke diensten. Hier wordt beschreven hoe de vrouwen die in vers 2 en 3 genoemd worden Jezus en zijn discipelen ondersteunden, zodat die de taak konden uitvoeren die ze van God gekregen hadden. Op die manier eerden de vrouwen God, die zijn waardering daarvoor toonde door in de Bijbel een verslag over hun vrijgevigheid te laten optekenen voor alle toekomstige generaties (Sp 19:17; Heb 6:10). Dezelfde Griekse term wordt voor vrouwen gebruikt in Mt 27:55 en Mr 15:41. (Zie aantekening bij Lu 22:26, waar het verwante zelfstandig naamwoord diakonos wordt behandeld.)

goed: Lett.: ‘aangenaam’. God en de apostelen wilden niet graag dat ‘het onderwijzen van het woord’ werd verwaarloosd (Han 6:4).

om voedsel (...) te verdelen: Of ‘om te dienen’. Het Griekse woord diakoneo wordt hier voor een aspect van de dienst gebruikt dat het voorzien in de materiële behoeften van arme maar voorbeeldige gelovigen in de gemeente omvat. (Zie aantekening bij Han 6:1, waar het verwante zelfstandig naamwoord diakonia wordt weergegeven met ‘voedselverdeling’; zie ook aantekening bij Lu 8:3.)

mannen met een goede reputatie: Of ‘mannen over wie positief gesproken wordt’. Hier wordt een passieve vorm van het Griekse werkwoord martureo (getuigen) gebruikt. Er waren bekwame mannen nodig omdat het werk waarschijnlijk niet alleen betekende dat ze voedsel uitdeelden, maar ook dat ze geld beheerden, inkopen deden en de administratie goed bijhielden. Er werd van deze mannen gezegd dat ze vol geest en wijsheid waren, wat inhield dat ze zich in hun leven door Gods geest en wijsheid lieten leiden. Het ging om een lastige situatie. Er waren al problemen en verschillen in de gemeente, dus er waren mannen nodig met een goed oordeel, discretie en inzicht. Een van hen was Stefanus, en zijn verdediging voor het Sanhedrin laat zien dat hij heel bekwaam was (Han 7:2-53).

het onderwijzen van het woord: Lett.: ‘de bediening van het woord’. In Han 6:1 en 6:4 wordt hetzelfde Griekse woord (diakonia) gebruikt. Het is dus duidelijk dat het hier om twee vormen van dienst gaat: voedsel eerlijk verdelen onder arme personen en voorzien in geestelijk voedsel uit Gods Woord. De apostelen beseften dat het niet goed zou zijn als ze hun tijd zouden besteden aan het verdelen van letterlijk voedsel, terwijl hun voornaamste taak was de gemeente van geestelijk voedsel te voorzien door middel van gebedsvolle studie, nazoekwerk, onderwijs en herderlijke zorg. Ze wisten dat de zorg voor de letterlijke behoeften van de arme weduwen in de gemeente een belangrijk onderdeel was van de dienst van een christen. Later inspireerde Jehovah Jakobus ertoe te schrijven dat personen die God op een aanvaardbare manier willen aanbidden, moeten ‘zorgen voor wezen en weduwen in hun moeilijkheden’ (Jak 1:27). Maar de apostelen beseften ook dat hun prioriteit lag bij de zorg voor de geestelijke behoeften van alle discipelen, onder wie de weduwen.

door Gods voorzienigheid (...) genoemd: In de meeste Bijbelvertalingen staat gewoon ‘genoemd’. Maar hier staat niet een van de Griekse woorden die normaal met ‘genoemd’ worden vertaald (Mt 1:16; 2:23; Mr 11:17; Lu 1:32, 60; Han 1:12, 19). In dit vers staat chrematizo, dat negen keer in de Griekse Geschriften voorkomt en daar meestal duidelijk verwijst naar dingen die van God komen (Mt 2:12, 22; Lu 2:26; Han 10:22; 11:26; Ro 7:3; Heb 8:5; 11:7; 12:25). In Han 10:22 wordt dit woord bijvoorbeeld gebruikt in combinatie met de uitdrukking ‘via een heilige engel’, en in Mt 2:12, 22 wordt het gebruikt in verband met door God geïnspireerde dromen. Het verwante zelfstandig naamwoord chrematismos komt voor in Ro 11:4, en de meeste woordenboeken en vertalingen gebruiken weergaven als ‘goddelijke uitspraak’, ‘goddelijk antwoord’, ‘Gods antwoord’, ‘het antwoord van God’. Misschien heeft Jehovah Saulus en Barnabas opdracht gegeven de naam christenen te gebruiken. Sommigen hebben geopperd dat de heidense inwoners van Antiochië het woord christenen spottend of minachtend gebruikten als bijnaam, maar het gebruik van het Griekse chrematizo wijst er duidelijk op dat God verantwoordelijk was voor de aanduiding christenen. En het is heel onwaarschijnlijk dat de Joden Jezus’ volgelingen ‘christenen’ (uit het Grieks) of ‘messianisten’ (uit het Hebreeuws) zouden noemen, want daarmee zouden ze Jezus impliciet als de Gezalfde of Christus hebben erkend. Maar ze hadden hem juist als de Messias of Christus afgewezen.

christenen: Het Griekse woord Christianos (bet.: ‘volgeling van Christus’) komt maar drie keer in de Griekse Geschriften voor (Han 11:26; 26:28; 1Pe 4:16). Het is afgeleid van Christos, dat Christus of Gezalfde betekent. Christenen volgen het voorbeeld en de leer van Jezus, ‘de Christus’, degene die door Jehovah gezalfd is (Lu 2:26; 4:18). De aanduiding christenen werd mogelijk al in het jaar 44 ‘door Gods voorzienigheid’ gebruikt, toen de gebeurtenissen plaatsvonden die in dit vers vermeld worden. Blijkbaar werd de naam overal geaccepteerd, want toen Paulus rond het jaar 58 voor koning Herodes Agrippa II verscheen, wist Agrippa wie de christenen waren (Han 26:28). De geschiedschrijver Tacitus geeft aan dat de term christen rond het jaar 64 algemeen gebruikt werd onder de bevolking van Rome. En ergens tussen 62 en 64 schreef Petrus zijn eerste brief aan christenen die over het Romeinse Rijk verspreid waren. Tegen die tijd was de naam christen blijkbaar wijdverbreid, onderscheidend en specifiek (1Pe 1:1, 2; 4:16). Dankzij deze naam waarin God voorzien had, konden Jezus’ discipelen niet meer aangezien worden voor een sekte van het jodendom.

Antiochië in Pisidië: Een stad in de Romeinse provincie Galatië. De stad lag op de grens van Frygië en Pisidië en werd in verschillende periodes in de geschiedenis soms tot de ene en dan tot de andere regio gerekend. De ruïnes van de stad liggen in de buurt van Yalvaç, in het huidige Turkije. Pisidisch Antiochië wordt hier en in Han 14:19, 21 vermeld. Vanuit Perge, een stad vlak bij de Middellandse Zeekust, was het een zware reis naar Pisidisch Antiochië. De stad lag zo’n 1100 m boven zeeniveau (zie App. B13) en in de verraderlijke bergpassen lagen rovers op de loer. ‘Antiochië in Pisidië’ mag niet verward worden met Antiochië in Syrië (Han 6:5; 11:19; 13:1; 14:26; 15:22; 18:22). In de meeste gevallen wordt in Handelingen met Antiochië niet verwezen naar Pisidisch Antiochië maar naar Syrisch Antiochië.

Stefanus, (...) Filippus, Prochorus, Nikanor, Timon, Parmenas en Nikolaüs: Deze zeven namen zijn allemaal Grieks, dus het kan zijn dat de apostelen uit alle bekwame mannen in de gemeente in Jeruzalem Griekssprekende Joden of proselieten kozen. Maar alleen Nikolaüs wordt een proseliet uit Antiochië genoemd, wat betekent dat hij misschien de enige niet-Jood in de groep was. De Griekse namen van de anderen kwamen ook onder de Joden veel voor. Toch lijkt het erop dat de apostelen als besturend lichaam deze mannen hebben uitgekozen om rekening te houden met de gevoelens van de Griekssprekende Joden (Han 6:1-6).

Antiochië: Deze stad, die zo’n 500 km ten N van Jeruzalem lag, wordt hier voor het eerst in de Bijbel vermeld. Antiochië werd in 64 v.Chr. de hoofdstad van de Romeinse provincie Syrië. In de eerste eeuw was het na Rome en Alexandrië de grootste stad van het Romeinse Rijk. Syrisch Antiochië stond bekend om zijn schoonheid en grote politieke, commerciële en culturele invloed, maar de stad had ook de reputatie moreel verdorven te zijn. Antiochië had veel Joodse inwoners, die naar verluidt veel proselieten maakten onder de Griekssprekende bevolking. Nikolaüs was zo’n proseliet, en hij bekeerde zich later tot het christendom. Barnabas en de apostel Paulus gaven een jaar onderwijs in Antiochië, en Paulus gebruikte de stad als thuisbasis voor zijn zendingsreizen. In Antiochië werden Christus’ volgelingen ‘door Gods voorzienigheid voor het eerst christenen genoemd’. (Zie aantekeningen bij Han 11:26.) Dit Antiochië mag niet verward worden met Pisidisch Antiochië, dat in Han 13:14 wordt vermeld. (Zie aantekening bij Han 13:14 en App. B13.)

hun daarna de handen oplegden: In de Hebreeuwse Geschriften werden de handen opgelegd bij mensen of dieren, en dit kon verschillende betekenissen hebben (Ge 48:14; Le 16:21; 24:14). Als het om mensen ging, was het meestal een gebaar om aan te geven dat de persoon op een bijzondere manier werd erkend of voor een speciaal doel werd afgezonderd (Nu 8:10). Mozes legde Jozua bijvoorbeeld de handen op om hem als zijn opvolger aan te wijzen. Het resultaat was dat Jozua ‘vervuld werd van de geest van wijsheid’ en Israël goed kon leiden (De 34:9). Hier in Han 6:6 legden de apostelen hun handen op de mannen die ze in een verantwoordelijke positie aanstelden. De apostelen deden dat pas nadat ze de kwestie in gebed hadden voorgelegd, wat laat zien dat ze Gods leiding wilden. Later stelden de leden van een lichaam van ouderlingen Timotheüs aan voor een speciaal dienstvoorrecht door hem de handen op te leggen (1Ti 4:14). Ook Timotheüs kreeg de bevoegdheid om anderen aan te stellen door hun de handen op te leggen, maar pas nadat hij zorgvuldig had gekeken naar hun geschiktheid (1Ti 5:22).

wonderen: Of ‘voortekenen’. In de Griekse Geschriften wordt teras (wonder) altijd gebruikt in combinatie met semeion (teken), waarbij beide woorden in het meervoud staan (Mt 24:24; Jo 4:48; Han 7:36; 14:3; 15:12; 2Kor 12:12). Het woord teras duidt in wezen op alles wat ontzag of verwondering wekt. Als het woord duidelijk verwijst naar iets dat in de toekomst zal gebeuren, staat in de aantekening de alternatieve weergave ‘voorteken’.

wonderen: Of ‘voortekenen’. (Zie aantekening bij Han 2:19.)

Synagoge van de Vrijgelatenen: Onder het Romeinse bestuur was een ‘vrijgelatene’ een vrijgelaten slaaf. Sommigen denken dat de leden van deze synagoge Joden waren die ooit door de Romeinen gevangen waren genomen en later waren vrijgelaten. Volgens anderen waren het vrijgelaten slaven die Joodse proselieten waren geworden.

oudsten: Lett.: ‘oudere mannen’. In de Bijbel wordt het Griekse presbuteros voornamelijk gebruikt voor personen die gezag en verantwoordelijkheid dragen in een gemeenschap of natie. Hoewel de term soms duidt op leeftijd (zoals in Lu 15:25 en Han 2:17), wordt die niet uitsluitend toegepast op ouderen. Hier wordt het woord gebruikt voor de leiders van het Joodse volk, die vaak in één adem worden genoemd met de overpriesters en de schriftgeleerden. Het Sanhedrin bestond uit mannen uit deze drie groepen (Mt 21:23; 26:3, 47, 57; 27:1, 41; 28:12; zie Woordenlijst ‘Ouderling, oudste’).

de Nazarener: Een bijnaam voor Jezus en later ook voor zijn volgelingen (Han 24:5). Omdat de naam Jezus veel voorkwam onder de Joden, werd er vaak een aanduiding aan toegevoegd. In Bijbelse tijden was het heel gebruikelijk om de naam van mensen te verbinden aan de plaats waar ze vandaan kwamen (2Sa 3:2, 3; 17:27; 23:25-39; Na 1:1; Han 13:1; 21:29). Jezus woonde het grootste deel van zijn aardse leven in Nazareth in Galilea, dus het was niet vreemd om die term in verband met hem te gebruiken. Jezus werd vaak ‘de Nazarener’ genoemd, in verschillende situaties en door verschillende personen (Mr 1:23, 24; 10:46, 47; 14:66-69; 16:5, 6; Lu 24:13-19; Jo 18:1-7). Jezus zelf aanvaardde en gebruikte die naam (Jo 18:5-8; Han 22:6-8). Pilatus liet op de martelpaal een opschrift bevestigen met in het Hebreeuws, Latijn en Grieks de woorden: ‘Jezus de Nazarener, de Koning van de Joden’ (Jo 19:19, 20). Vanaf Pinksteren 33 spraken zowel de apostelen als anderen vaak over Jezus als de Nazarener of als degene die uit Nazareth kwam (Han 2:22; 3:6; 4:10; 6:14; 10:38; 26:9; zie ook aantekening bij Mt 2:23).

de Nazarener: Zie aantekening bij Mr 10:47.

engelen: Of ‘boodschappers’. Het Griekse aggelos en het overeenkomende Hebreeuwse malʼakh komen bijna 400 keer in de Bijbel voor. Beide woorden hebben als grondbetekenis ‘boodschapper’. Als het om hemelse boodschappers gaat, worden deze woorden weergegeven met ‘engelen’, maar als het duidelijk om mensen gaat, worden ze weergegeven met ‘boodschappers’. De context maakt meestal duidelijk of het om menselijke of hemelse boodschappers gaat, maar als beide betekenissen mogelijk zijn, staat de alternatieve weergave vaak in een voetnoot (Ge 16:7; 32:3; Job 4:18, vtn.; 33:23, vtn.; Pr 5:6, vtn.; Jes 63:9, vtn.; Mt 1:20; Jak 2:25, vtn.; Opb 22:8; zie Woordenlijst). In het symbolische boek Openbaring kunnen bepaalde verwijzingen naar engelen ook op mensen slaan (Opb 2:1, 8, 12, 18; 3:1, 7, 14).

zijn gezicht was als dat van een engel: De Hebreeuwse en Griekse woorden die met ‘engel’ worden weergegeven betekenen allebei ‘boodschapper’. (Zie aantekening bij Jo 1:51.) Engelen brengen boodschappen van God over en hebben dan ook reden om onbevreesd en kalm te zijn, in het vertrouwen dat ze Gods steun hebben. Op een vergelijkbare manier was Stefanus’ gezichtsuitdrukking als die van een boodschapper van God. Hij voelde zich niet schuldig, maar was kalm. Aan zijn gezicht was te zien dat hij vertrouwen had in de steun van Jehovah, ‘de glorieuze God’ (Han 7:2).

Media

Theodotusinscriptie voor Griekssprekende Joden
Theodotusinscriptie voor Griekssprekende Joden

De tekst op deze kalkstenen plaat van 72 bij 42 cm staat bekend als de Theodotusinscriptie. Die is aan het begin van de 20ste eeuw gevonden op de Ofel, een heuvel in Jeruzalem. In de Griekse tekst wordt verwezen naar Theodotus, een priester die ‘de synagoge heeft gebouwd voor het lezen van de wet en het onderwijs van de geboden’. De inscriptie wordt gedateerd op de periode vóór de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 en bevestigt dat er in de eerste eeuw Griekssprekende Joden in Jeruzalem waren (Han 6:1). Sommigen denken dat deze synagoge ‘de zogenoemde Synagoge van de Vrijgelatenen’ was (Han 6:9). In de inscriptie wordt ook vermeld dat Theodotus, en ook zijn vader en grootvader, de titel archisunagogos (synagogebestuurder) hadden, een titel die meerdere keren in de Griekse Geschriften voorkomt (Mr 5:35; Lu 8:49; Han 13:15; 18:8, 17). De inscriptie zegt ook dat Theodotus een onderkomen bouwde voor personen die uit het buitenland op bezoek kwamen. Het onderkomen dat in de inscriptie wordt vermeld, zal waarschijnlijk gebruikt zijn door Joden die Jeruzalem bezochten, vooral degenen die voor de jaarlijkse feesten kwamen (Han 2:5).