Psalm 52:1-9

Aan de leider. Maskil.* Van Da̱vid, toen de Edomiet Do̱ëg kwam en voorts aan Saul bericht bracht en tot hem zei dat Da̱vid in het huis van Achime̱lech gekomen was.+ 52  Waarom beroemt gij u op slechtheid, o gij machtige?+De liefderijke goedheid* van God* duurt de gehele dag.+   Onheilen beraamt uw tong, scherpgeslepen als een scheermes,+Bedrieglijk werkend.*+   Gij hebt het slechte meer liefgehad dan het goede,+Leugen meer dan het spreken van rechtvaardigheid.+ Sela.   Gij hebt alle verslindende woorden liefgehad,+O gij bedrieglijke tong.*+   God zelf zal u dan ook voor eeuwig afbreken;+Hij zal u neerslaan en u wegrukken uit [uw] tent,+En hij zal u stellig ontwortelen uit het land der levenden.+ Sela.   En de rechtvaardigen zullen [het] zien en bevreesd zijn,+En zij zullen over hem lachen.+   Ziedaar de fysiek sterke man die God niet tot zijn vesting stelt,+Maar die vertrouwt op de overvloed van zijn rijkdom,+Die beschutting zoekt in door hem [aangerichte] onheilen.+   Maar ik zal zijn als een lommerrijke olijfboom+ in Gods huis;Ik vertrouw werkelijk op de liefderijke goedheid van God, tot onbepaalde tijd, ja, voor eeuwig.+   Ik wil u tot onbepaalde tijd prijzen, want gij zijt handelend opgetreden;+En ik zal op uw naam hopen, want die is goed, in tegenwoordigheid van uw loyalen.+

Voetnoten

Zie 32:Ops. vtn.
Of: „loyale liefde.”
„God.” Hebr.: ʼEl.
Of: „Verderfelijke dingen beraamt gij, uw tong is scherpgeslepen als een scheermes, o gij werker van bedrog.”
Lett.: „tong van bedrog.”