Psalm 42:1-11

Aan de leider. Maskil* voor de zonen van Ko̱rach.+ 42  Zoals de hinde die verlangt naar de waterstromen,Zo verlangt mijn eigen ziel naar u, o God.*+   Mijn ziel dorst inderdaad naar God,+ naar de levende God.*+Wanneer zal ik komen en voor God verschijnen?*+   Mijn tranen zijn mij tot voedsel geworden, dag en nacht,+Terwijl [men*] de gehele dag tot mij zegt: „Waar is uw God?”+   Aan deze dingen wil ik denken, en ik wil mijn ziel in mij uitstorten.+Want ik placht mij voort te bewegen in de dichte drom,Ik placht langzaam voor hen uit te lopen naar het huis van God,*+Met de stem van vreugdegeroep en dankzegging,+Van een feestvierende menigte.+   Waarom zijt gij wanhopig, o mijn ziel,+En waarom zijt gij onstuimig in mij?+Wacht op God,+Want ik zal hem alsnog prijzen als de grootse redding* van mijn persoon.*+   O mijn God,* mijn eigen ziel is wanhopig in mij.+Daarom denk ik aan u,+Vanuit het Jordaanland en [vanaf] de toppen van de He̱rmon,*+Vanaf de kleine berg.*+   Waterdiepte roept tot waterdiepte*Bij het geluid van uw [water]stromen.*Al uw brandingen en uw golven+ —Over mij zijn ze heen geslagen.+   Overdag zal Jehovah zijn liefderijke goedheid* gebieden,+En ’s nachts zal zijn lied bij mij zijn;+Er zal een gebed zijn tot de God van mijn leven.*+   Ik wil tot God, mijn steile rots,+ zeggen:„Waarom zijt gij mij vergeten?+Waarom loop ik bedroefd rond wegens de onderdrukking van de vijand?”+ 10  Met moord tegen mijn beenderen hebben zij die van vijandschap jegens mij blijk geven, mij gesmaad,+Terwijl zij de gehele dag tot mij zeggen: „Waar is uw God?”+ 11  Waarom zijt gij wanhopig, o mijn ziel,+En waarom zijt gij onstuimig in mij?+Wacht op God,+Want ik zal hem alsnog prijzen als de grootse redding van mijn persoon* en als mijn God.*+

Voetnoten

Zie 32:Ops. vtn.
„O God”, MLXXVg; TSy: „o Jehovah.”
„Naar de levende God.” Hebr.: leʼElʹ chai. Zie App. 1J voor andere beschrijvende uitdr. en titels voor Jehovah.
„Voor . . . verschijnen”, MLXXVg; TSy: „het aangezicht [Gods] zien.”
„Men” (lett.: zij, mv.), Sy en vier Hebr. hss.
„God.” Hebr.: ʼElo·himʹ.
Lett.: „de reddingen.” Hebr.: jesjoe·ʽōthʹ, majesteitsmv.
„Mijn aangezicht”, LXXSyVg en vs. 11; MT: „zijn aangezicht.” Zie 2Sa 17:11 vtn., „Persoon”.
„O mijn God.” Hebr.: ʼElo·haiʹ.
Of: „en [vanaf] de heilige plaatsen (toppen).”
Lett.: „vanaf de berg van kleinheid.” Hebr.: me·harʹ mits·ʽarʹ; door een correctie: „vanaf de berg Sion.”
Of: „Woelige wateren [roepen] tot woelige wateren”, M; LXXVg: „Afgrond . . . tot afgrond.”
„Uw watervallen”, LXXVg.
Of: „loyale liefde.”
„Tot de God van mijn leven”, M(Hebr.: leʼElʹ chai·jaiʹ)TLXXVg; Sy en veel Hebr. hss.: „tot de levende God.” Zie vs. 2.
Lett.: „mijn aangezicht.” Zie vs. 5 vtn., „Persoon”.
„En als mijn God.” Hebr.: wEʼ·lo·haiʹ.