Psalm 141:1-10

Een melodie van Da̱vid. 141  O Jehovah, ik heb u aangeroepen.+Haast u toch tot mij.+Leen toch het oor aan mijn stem wanneer ik tot u roep.+   Moge mijn gebed als reukwerk+ voor uw aangezicht worden bereid,+Het opheffen van mijn handpalmen als het avondgraanoffer.+   Stel toch een wacht, o Jehovah, voor mijn mond;+Stel toch een post bij de deur van mijn lippen.+   Neig mijn hart niet naar iets slechts,+Om in goddeloosheid beruchte daden te bedrijven+Met mannen* die het schadelijke beoefenen,+Opdat ik mij niet met hun lekkernijen voed.+   Zou de rechtvaardige mij slaan, het zou een liefderijke goedheid zijn;+En zou hij mij terechtwijzen, het zou olie op het hoofd zijn,+Die mijn hoofd niet zou willen weigeren.+Want tijdens hun rampspoeden zou toch mijn gebed er nog zijn.+   Hun rechters zijn neergeworpen langs de kanten van de steile rots,+Maar zij hebben mijn woorden gehoord, dat ze aangenaam zijn.+   Als wanneer iemand op de aarde [iets] klooft en splijt,Zijn onze beenderen aan de mond van Sjeo̱o̱l verstrooid.+   Maar mijn ogen zijn op u, o Jehovah, de Soevereine Heer,+ [gericht].+Tot u heb ik mijn toevlucht genomen.+Giet mijn ziel niet uit.+   Behoed mij voor de klauwen van de val die zij voor mij hebben gelegd+En voor de strikken van hen die het schadelijke beoefenen.+ 10  De goddelozen zullen allen te zamen in hun eigen netten vallen,+Terwijl ík voorbijga.

Voetnoten

„Mannen.” Hebr.: ʼi·sjimʹ, mv. van ʼisj. Zie Jes 53:3 vtn., „Mensen”.