Psalm 123:1-4

Een lied der opgangen. 123  Tot u heb ik mijn ogen opgeheven,+O Gij die in de hemel woont.+   Zie! Zoals de ogen van knechten zijn op de hand van hun meester,*+Zoals de ogen van een dienstmaagd zijn op de hand van haar meesteres,+Zo zijn onze ogen [gericht] op Jehovah, onze God,+Totdat hij ons gunst betoont.+   Betoon ons gunst, o Jehovah, betoon ons gunst;+Want wij zijn tot overvloeiens toe verzadigd van verachting.+   Overvloedig is onze ziel verzadigd van de spot van hen die onbezorgd zijn,+Van de verachting van de zijde der arroganten.+

Voetnoten

„Hun meester.” Hebr.: ʼadhō·nē·hemʹ, mv. van ʼa·dhōnʹ, ter aanduiding van uitnemendheid. Zie Ge 39:2 vtn.