Psalm 103:1-22

Van Da̱vid. 103  Zegen Jehovah,* o mijn ziel,+Ja, al wat in mij is, zijn heilige naam.+   Zegen Jehovah,* o mijn ziel,En vergeet niet al zijn daden,+   Hij die al uw dwaling vergeeft,+Die al uw kwalen geneest,+   Die uw leven opeist uit de kuil,+Die u kroont met liefderijke goedheid en barmhartigheden,+   Die uw gehele leven verzadigt met het goede;+Uw jeugd blijft zich vernieuwen net als die van een arend.+   Jehovah* volvoert daden van rechtvaardigheid*+En rechterlijke beslissingen voor allen die te kort worden gedaan.+   Hij maakte aan Mo̱zes zijn wegen bekend,+Zijn handelingen zelfs aan de zonen van I̱sraël.+   Jehovah* is barmhartig en goedgunstig,+Langzaam tot toorn en overvloedig in liefderijke goedheid.+   Hij zal niet voor altijd aanmerkingen blijven maken,+Noch zal hij tot onbepaalde tijd gebelgd blijven.+ 10  Hij heeft ons zelfs niet naar onze zonden gedaan,+Noch naar onze dwalingen over ons gebracht wat wij verdienen.+ 11  Want zoals de hemel hoger is dan de aarde,+Is zijn liefderijke goedheid superieur jegens hen die hem vrezen.+ 12  Zover als de zonsopgang verwijderd is van de zonsondergang,+Zover heeft hij onze overtredingen van ons verwijderd.+ 13  Zoals een vader barmhartigheid toont jegens zijn zonen,+Heeft Jehovah barmhartigheid getoond jegens hen die hem vrezen.+ 14  Want hijzelf weet zeer goed hoe wij zijn gevormd,+Gedachtig dat wij stof zijn.+ 15  Wat de sterfelijke mens* betreft, zijn dagen zijn als die van het groene gras;+Als een bloesem van het veld, zo bloeit hij.+ 16  Want er hoeft maar een wind over te gaan en hij is niet meer;+En zijn plaats zal hem niet langer erkennen.+ 17  Maar de liefderijke goedheid* van Jehovah is van onbepaalde tijd, ja, tot onbepaalde tijd+Jegens hen die hem vrezen,+En zijn rechtvaardigheid voor de zonen der zonen,+ 18  Jegens hen die zijn verbond houden+En jegens hen die aan zijn bevelen denken, om die te volbrengen.+ 19  Jehovah zelf heeft in de hemel zijn troon stevig bevestigd;+En over alles heeft zijn eigen koningschap heerschappij geoefend.+ 20  Zegent Jehovah, o GIJ zijn engelen,+ geweldig in kracht, die zijn woord volbrengt,+Door te luisteren naar de stem van zijn woord.+ 21  Zegent Jehovah, al GIJ legerscharen van hem,+GIJ zijn dienaren, die zijn wil* doet.+ 22  Zegent Jehovah, al GIJ werken van hem,+Op alle plaatsen van zijn heerschappij.*+Zegen Jehovah, o mijn ziel.+

Voetnoten

Zie App. 1C (8).
Zie App. 1C (8).
Zie App. 1C (8).
Of: „rechtvaardigheden”, M; LXX: „weldaden.”
Zie App. 1C (8).
„De sterfelijke mens.” Hebr.: ʼenōsjʹ.
Of: „loyale liefde.”
Of: „welgevallen.”
Of: „zijn rijk (soevereiniteit).” Hebr.: mem·sjal·tōʹ. Zie 1Kr 29:12 vtn.