Psalm 1:1-6

1  Gelukkig+ is de man* die niet in de raad der goddelozen heeft gewandeld,+En op de weg der zondaars niet heeft gestaan,+En op de zetel der spotters niet heeft gezeten.+   Maar zijn lust is in de wet van Jehovah,+En in diens wet leest hij dag en nacht met gedempte stem.+   En hij zal stellig worden als een boom, geplant aan waterstromen,+Die zijn eigen vrucht geeft als het de juiste tijd ervoor is+En waarvan het gebladerte niet verwelkt,+En al wat hij doet, zal gelukken.+   De goddelozen zijn niet zo,Maar zijn als het kaf dat door de wind* wordt weggeblazen.+   Daarom zullen de goddelozen geen stand houden in het oordeel,+Noch zondaars in de vergadering der rechtvaardigen.+   Want Jehovah neemt kennis van de weg der rechtvaardigen,+Maar het is de weg der goddelozen die zal vergaan.+

Voetnoten

Lett.: „O het geluk van de man.” Hebr.: ʼasjʹrē ha·ʼisjʹ.
„Wind.” Hebr.: roeʹach; Gr.: aʹne·mos; Lat.: venʹtus. Zie Ge 1:2 vtn., „Kracht”.